Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor hun ruiven stonden de paarden te trappelen: Lea, Alexander, Rachel, Thor... Annie had wat klontjes suiker, die ze op haar platte hand den dieren voorhield, onderwijl ze toesprekend en op de billen kloppende. Bij haar lieveling. Carl, bleef ze langer staan dan bij de anderen; terwijl de merrie tusschen haar droog-lappige lippen het klontje versmakkelde, vertelde ze hem (voor Annie waren alle paarden manlijk) dat ze wegging morgen — of Carl zijn vrouwtje trouw zou blijven; dan kwam ze van 't voorjaar terug....

Achter den stal langs gaande, om 't slingerpad te nemen naar den driesprong, basten de honden haar tegen, als bezeten opvliegend tegen de trahes van hun hok. — Stil jongens, straks mag je meê, na 't ontbijt; nee, al spring je nu nog zoo hoog, het geeft je geen sikkepit. Zoo, dag Gijs tot het kromme mannetje, dat in de laan de blaren aan 't harken was.

— Wa die béésten angaanwa? lachte Gijs zijn tabaksmond breed open. — De juffer al zoo vroeg an de waandel ?...

Langzaam slenterde zij de breede laan af, donkervochtig van dauw. Een rinsche aard- en bladgeur doorhartigde de atmosfeer; Annie genoot er van. Domme moeder, die nu nog in haar bed lag, terwijl zij al een stuk leven achter den rug had! Blauw-grijs bemost zuilden de stammen op, hier en daar een, barstig gespleten en zwartkorstig weêr toegegroeid als een bijgetrokken wond. En daarboven het goud-doorschitterd beukenloof, gedund al, met groote plekken blauwe lucht er tusschen, maar toch nog mooi, toch nog heerlijk!

Langs het hoenderpark, waar in de hooge berastering de kippen kreun-kakelend om-wroetten, en de oranjerie, die al ongezellig stond volgepakt met allerlei rommel, ging zij 't kleine paadje achter de rhododendrons om en lichtte de klink van 't wrakke moestuin-deurtje.

In volle zonne-weelde lag de tuin; het licht brak op de glazen kasramen in" spettering van zilverstralen stuk; een mengeling van dauw en vruchtaroom en teer was als een lichte bedwelming. Wit-rood en paarsig wemelden de najaarsfloksen hun kleuren haar oogen binnen; zij hield niet van die boersche bloemen en liep er daarom gauw voorbij. Langs de schutting, links, groende het al maanden vruchtloos blad van perzik- en pruimenboomen, de zwarte takken als ""knokige vingers aan de witte gelei-latten gekrampt. Verderop had je de appelen en peren en druiven — 't was zonde dat zij in den mooisten vruchtentijd nu juist weg moest. Bij de druiven bleef ze even staan. Tusschen

Sluiten