Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan werd de eenzaamheid me soms te machtig ... dan .. .

Het grelle meisjeslachje van haar mama deed Annie, wier oogen al weêr naar haar boek waren gedwaald, haastig opzien.

— Dan ging je je troost maar zoeken in „De Bonte Koe" of „De Glundere Boerin" of hoe die horreurs dan mogen geheeten hebben... ja, ja, bloos maar niet, we bleven in Den Haag niet zóó onwetend van je up and , downs in dat boerendorp als jij in je zalige gerustheid misschien wel dacht 1... ,,11

Oom Dolf was nog rooder geworden; het scheen als glom zijn dik gezicht feller op; zijn schommelstoel hield hij stil, als van zins op te staan. „Da's gelogen!" schalde hij; toen het hij dadelijk, als overwonnen, zich terugvallen, en een gemoedelijk lachje lünnikte van onder zijn snor. Op dat oogenblik werd er getikt en kwam de knecht binnen met een mand blokjes voor den haard, en allen zwegen nu, keken naar den man, zooals hij de blokjes netjes opstapelde, drie in de lengte en drie in de breedte er boven op, alles heel voorzichtig en bescheiden-stil.

Mevrouw Hada had haar stoel weêr achteruit geschoven, naar de tafel toe, in 't bereik van de Icoekjesschaal, waarheen ze onder 't spreken —• ze verteld? nu van een thé dansant aan het hof — af en toe als achteloos den arm strekte, een koekje opvisschend tusschen haar blank-slanke beringde vingeren.

Annie was opgestaan en rinkelde aan het theeblad met de kopjes.

VI

Voor zij zich dien avond ontkleedde, bleef zij geruimen tijd in 't donker voor 't raam van haar slaapkamer staan. Zij keek naar de lucht en zag er de wolken voorbij jagen groenig-verzilverd, steeds weêr, andere, in grillige figuren, die afbrokkelden en zich weêr opstapelden, en ze zag de maan ginds tusschen de zwarte takken hangen, er in een» vloeimg drijvende van ziekig geel-rood schijnsel, straks weêr van wolken omsingeld, wegkwijnend in een grot van valschgroene glansen. En 't bleef nooit het zelfde | de lucht zat vol beweging; uit de donkere bosschen er onder suisde de wind aan, de takken klapperden; de roep van een kraai klonk af en toe als een schreeuw door de stilte. Er was iets huiveringwekkends in die stilte; het bekroop haar, terwijl ze zoo stond; ze was bang en toch het ze t haar

Sluiten