Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ze er in lag, 't licht was uitgeblazen en de duisternis als hoorbaar om haar heen suisde — ze hoorde moeder nog wat scharrelen op de kamer ér naast — dacht zij weêr aan morgen, de reis naar Den Haag, waar ze na zooveel maanden in terug zou keeren. Wanneer papa weêr thuis komen zou ? Hij was nu in Parijs... volgens de laatste berichten... Zou wel weêr op een goden dag ineens voor hun neus staan. Hè, ze hoopte, hij zou gauw komen: papa, moeder, Robert en zij — dan had je het huishoudentje weêr ineens compleet 1 Gek, maar hoe kwam het toch dat ze zoo weinig dacht aan papa? Ze hield toch van hem, al was hij wat vreemd en al was er nooit intimiteit geweest tusschen papa en haar. Toch had ze al die maanden op De Groote Brink maar heel weinig .aan hem gedacht, en dan nog meest alleen als grootmoeder over hem begonnen was.

Zij dacht... aan papa... en aan moeder... en Robert... hoe Robert het maken zou... en onderwijl snoepte zij bonbons uit de doos die zij naast zich had. Telkens maar dwaalden haar vingers weêr de doos in. zonder dat zij t zelve recht wist. 'tWerd doezelig in haar hoofd; ze geloofde 't was sterke likeur; zou de doos nu maar wegzetten...

Een half uur lag zij-stil aan allerlei te denken: de paarden ... haar bezoek aan den moestuin van morgen... het bazuin-engeltje... en dan weêr aan Den Haag... papa. Robert... Op het portaal hoorde zij de groote staanklok twaalf uur slaan, hol door het huis. Ze kon maar niet in slaap komen. Zij woelde en woelde — en toen ze 't eindelijk had opgegeven nog een oog toe te doen, tastte haar hand als vanzelf weêr naar de doos naast haar bed. Zoo lag zij langen tijd al knabbelend. Haar vingers raakten al den bodem, en ze voelde zich heel vreemd worden. Ze probeerde nog geregeld te denken, maar het ging niet; haar slapen klopten, en het suisde in haar ooren. — Got! ik wor dronken... ging het even door haar heen; maar 't het haar onverschillig. Haar vingers tastten, zochten de laatste bonbons bijeen, die ze een voor een als werktuigelijk naar den mond bracht...

's Nachts droomde zij: op de hei werd zij aangevallen door een man. Zij vluchtte; vallend over greppels en in kuilen vluchtte zij, en 't was of zij, vluchtend, steeds de zware hand van den zwarten man op haar schouder voelde.

Sluiten