Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zei Jeanne. — Zeg Annie, raad eens wien Jo en ik van morgen op de Koninginnegracht zijn tegengekomen? Je raadt

— Zeg het dan maar liever, kwam Annie nuchter.

— Fré van Hemert, je weet wel: die broêr van Ada; die bij de huzaren is. Hij salueerde toch zóó beleefd; ik' geloof zeker dat hij vues op Jo heeft... trala-la, trala-la, trala-tata... speelden haar vingers op de tafel.

— Ach wel nee; stel je toch niet zoo aan! verweet haar zuster.

— Jij kent 'm toch wel Ans; zoo'n lange officier; tweede luitenant is-t-i. Verleden jaar hebben we hem nog als cadet op het bal bij Ada gezien; toen met Tonny de Lang, weet je niet ?

Annie haalde de schouders op, wat spottend. — 't Kan wel zijn hoor; maar ik herinner me die vrindjes van jou heusch niet zoo lang...

Jeanne stoof op. — Je hoeft dat zoo minachtend niet te zeggen: „vrindjes van jou"; het zijn in 't geheel geen vrindjes van mij j ik zeg immers nog dat hij, geloof ik, vues heeft op Jo. Mij kunnen ze niks, geen sikkepit schelen hoor, al die jongens met elkaar; maar jij heb net even goed als ik toen met dien van Hemert gedanst en gelachen om al de gekheid die hij toen met Tonny uithaalde. Maar jij ook altijd... jij... hè! jij kan soms zoo echt onaardig zijn...

— Kom, vlieg op... Zie je wel dat je een beetje verliefd op hem ben! plaagde Annie. Ze had er plezier in Jeanne zoo boos te zien.

Op dat oogenblik werd de deur geopend en kwam de Kunstgeschiedenis-man al strijkages makende binnen. Hij vroeg wel duizendmaal verschooning, dat hij de jonge dames... maar zijn vrouw...

— ... heeft zeker een baby gekregen... fluisterde Annie langs haar neus aan Jo toe, die het halfbedwongen uitproestte.— For shame...

De heer Verbeek zat onthutst in zijn boek te bladeren.

Om half vier, na afloop van de les, had zij bij den hoek van de Princessegracht van To'tje en haar gouvernante afscheid genome^. „Ze moest noodig even de stad in; bij den tandarts zijn..." had ze gejokt. De gouvernante, een fransche, een in-vervelend mensen, dat altijd als een schildwacht naast To liep, had even tegengesparteld, meê de stad in gewild, iets gemompeld van hare responsabüité. — Vous savez... votre maman...

Sluiten