Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de stem van een meisje, en hij gebruikte allerlei meisjeswoorden als „zeg" en „absoluut" en „leuk". Hij was zoo heelemaal niet forsch als andere mannen; hij had niets van dat rustige breede, waarvan Annie in andere mannen zooveel hield; [ zijn beweeglijkheid: het gespeel met zijn vingers, zijn jachl. tlge, snel-ratelende zinnetjes, maakten haar nerveus, en zij werd soms wee van zijn haarwatertjes — dat haatte ze in een man... en toch, toch hield ze van Robert, omdat ze in hem zooveel van zich zelve voelde, als hetzelfde bloed».

Alleen van zijn wegstarenden blik hield zij niet, den blik\ van haar vaders.. daarvoor was zij — o, heel licht en even maar, omdat zij er niet te veel wilde achter zoeken; er stak toch niets achter — maar daarvoor was zij, al was het dan licht en even maar, toch bang...

Zoo nu ook, dit eerste oogenblik dat zij met hem alleen was; hij, op zijn omgekeerden stoel, met haar te schertsen zat... haar vertelde over Leiden... zijn „kast" en zijn 'hospita: een eenig typisch mensen gewoon, die wist wat | studenten toekwam.

— En wat komt hun dan toe? had zij lachend gevraagd. — Biecht eens op, meneer; zeker niet veel moois!...

Hij had haar aangezien, even, en toen was zijn blik weêr heengedwaald en had hij zenuwachtig de stoelleuning met ! Zijn vingers trachten te verknijpen. Dan, met een schok, wendde hij het hoofd weêr naar haar toe; een haarlok viel over zijn voorhoofd, dat te blanker scheen tegen het bruin. En levendig gaf hij haar nu antwoord, in een stroom van radde woordjes en korte afgebroken zinnetjes, koddige uitroepjes, waarom Annie lachen moest, schateren, al bleef er dan ook even, vaag, in haar een onrust waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven.

Robert bleek werkelijk nogal een goede broêr. Tot vroeg opstaan had Annie hem alleen de allereerste dagen kunnen krijgen; een paar heerlijke wandelingen hadden ze toen gedaan in de wintersche CHmtend-frischte van het Haagsche fbosch. Vooral van een mist-wandeling hadden beiden gesnoten; de zwarte klam-beslagen boomstammen die telkens spokig uit de grauwe nevelwaden waren opgedoken. Robert was bepaald enthousiast geweest, had luidruchtig met zijn wandelstok tegen de stammen geslagen, als een jongen; geroepen hoe hij vanmorgen nog verf en penseelen ging gestellen: hij ging weêr aquarellen maken... éénigl... absoluut!... hij moest weêr aan den slag!...

Sluiten