Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houdend, nog maar steeds te denken over haar man, die gisteren avond was teruggekomen, in 't holletje van den nacht — waarom was hij toch niet in Parijs gebleven ( — en dat het heel onaangenaam eigenlijk voor haar was. inconvenient in een heele boel opzichten. Ze was zoo aan hare vrijheid gewend geraakt, die maanden van zijn afwezigheid, dat ze er tegen opzag zich weêr te moeten tatoomen. En waarom ook? Lou gaf niets om haar, niet meer dan zij om hem; zij heten elkaar volkomen koud; en dus zou het logisch zijn, dat zij ook beiden vrij waren. Zij, ze Het hem vrij; vroeg nooit wat hij deed in Parijs; liet hem met rust. Maar hij...

_ Kom Caesar toch... niet zoo trekken. Wat scheelt ie vandaag toch. jongen? Ben je met de jonge vrouw gewoon zoo te hollen, zeg? Kijk. daar kwam van-Reële aan. zeker van de Plaats Royaal; wat werd-i oud, de stumperd; hij moest toch ook al naar de zeventig loopen...

Baron van Reële tot Palthorst, lid van den Raad van State, passeerde haar; nam diep zijn hoed af, in een poging tot hoffelijke buiging van zijn dik kort lijfje. Zij nikte het hoofd, lachte hef van onder haar donker rood fluweelen hoed. met een tikje gereserveerdheid en een tikje lichten spot, dat ietsje van kwajongensachtige brutaliteit, die nooit grof werd en waarom.zij door de heeren zoo onweerstaanbaar werd gevonden. . .

De Staatsraad nu voorbij, lachte ze even in haar eentje na om een gedachte: zijn kale hoofd dat. toen hij groette, net een kaasje geleken had. precies een appetijtelijk: ridammertje; nietwaar Caesar, was het hoofd van meneer van Reële niet precies een appetijtelijk Edammertje?...

Zij stak de Plaats en het Buitenhof over naar de Veenestraat, waar ze nog een boodschap wilde doen. In 't roezige leven van de stad terug — na de zonnige rust aan den Vijverberg — voelde zij opeens weêr de weeë verveling op zich neerzinken van die stad met zijn saaie straten, zijn «rauwe huizen en dat burgerlijke dagleven langs de trottoir». Zij haatte het Hollandsche volk met zijn plompe gebaren, zijn loggen geest. Het waren allen- kruideniers en er was niemand die zich goed wiesch. verbeeldde zij zich. Ze rilde inwendig; toch. voor wie haar zagen, bleef zij koel en onbewogen gaan; slaak in haar grijzen mantel van eenvoudige voornaamheid, haar wat bleek gezicht met de fijne, onregelmatige maar spiritueele trekken onder den een zweempje te opzichtigen rooden hoed, ging zij naast haai hond die fier als een leeuw bedaard naast haar voortstapte.

Sluiten