Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tra

tafellaken. De heer Hada, klein en nietig in zijn gekleede jas, als bangelijk weggedoken achter de witte plakkaat *an zijn servet, dat aan een zilveren ring onder zijn kin bevestigd was, zat wat voorover gebogen zwijgzaam te eten, met kleine smakjes en haast onhoorbare slurpjes, als geheel opgaande in het minutieuze werk met mes en vork, die zijn bruine beringde handjes krampachtig vasthielden. Bij 't wisselen van een gerecht, als de knecht bescheiden tipteenend rondging achterlangs de stoelen, en de laatst gesproken enkele woorden schenen opgelost in de naakte helte van 't electrisch licht boven de gegeneerde hoofden — merkte Annie dikwijls op hoe haar vader star kon kijken naar zijn kleine voor hem uitgespreide handen, met de chineesachtige, gele, spits-gesneden nagels en rustelooze vingers, die af en toe nerveus langs het dunne zwarte arabierenbaardje streken.

Dan kon Annie verlangen naar die in-knusse maaltijden met grootma op De Groote Brink... Ze was blij als het diner was afgeloopen.

Toen had, op een morgen, hoera! de sneeuw gelegen — en 't sneeuwde nóg, met groote, trage vlokken. Zij was dadelijk na het ontbijt met Robert naar de Hooge Nieuwstraat gebaggerd, om te inspecteeren of de ar in goeden staat verkeerde. In jaren was die niet gebruikt. Goddank, er mankeerde niets aan; alleen het bellentuig moest nog wat opgepoetst. Rob was even vol vuur als zij voor het plan. Dien morgen arden zij samen; 's middags ging moeder meê. Moeder was prachtig, in haar bont-mantel met den hoog-opstaanden kraag; Annie zag wel hoe een paar heeren, al groetend, de ar met hun oogen als vasthielden, móéder vasthielden met blikken van bewondering. En als zij dan voorbij Varen — rtsss I — in een oogwenk, vóélde zij die blikken branden achter hen, in hun na-staren van de zalig-licht voortschietende ar. Tjieng — tjieng — tjieng — tjieng. 't Was éénig!

Dagenlang bleef de sneeuw liggen en ze genoten er van; ze arde met Robert en de Heytinkjes, of ze bombardeerde Rob met sneeuwballen in den tuin. Dan zat hij haar na en wreef haar in en kuste haar —• altijd moest hij kussen, die jongen I...

Op een morgen dat zij weêr aan 't arren waren in het Bosch, waren ze Fré van Hemert tegen gekomen op zijn paard. Hij salueerde deftig en zijn mond had gelachen weêr, onder zijn snor, echt dat lachje van hèm; ze had even zijn tanden zien blinken. Rood was ze geworden tot in haar

Sluiten