Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met Betsy Luitinga Tcssingh; zij. Annie, met den langen van Beekenhove.

Zij schoof door naar een hoekje, tegen het beschot, doch zag met spijt nu niet naast Carel te zitten. Enfin, tant pis, wat kon haar die jongen ook schelen ; nu zat hij al dadeI lijk weêr met dat freuletje Tessingh te flirten; het ze liever over Fré gaan zitten droomen : dat was tenminste een man...

Zij hadden een zeer luidruchtig troepje. Aan het tafeltje naast-aan zaten enkele der ooms en tantes van de jarige: I een dikke meneer met een glimmend-rood gezicht, van wien later bleek dat hij vreeseiijk veel at, en een dikke dame in paarse zij, die een net over heur haar droeg en daarom door Carel heel oneerbiedig als „de fuik" werd betiteld. Het freuletje Tessingh tikte coquet hem met haar waaier ] op den schouder: — Nu geen ongepastheden hoor, ondeugende jongen! .

Ze keek hem smachtend aan. dacht Annie; ze vond haar een misselijk nest.

Maar er werd ginds van een ander tafeltje tegen een glas getikt. „Het belletje van den voorzanger", fluisterde Carel. „De preek begint".

Het was meneer van HeuveU. die met veel „ahs" en „ahèms" de gasten wejkom heette. Toen hij klaar was brokkelde het gepraat weêr los; knechts in de livrei der van HeuveUs. blauw-met-rood, dienden de soep.

Annie had maar wat korte antwoorden gegeven op de vragen die van Beekenhove haar deed: of ze al eens op | rolschaatsen gereden had, en of ze Den Haag een prettige stad vond. Ze was moê en warm van het dansen en vond het heerlijk om hier nu maar zoo wat stil te kunnen zitten in haar hoekje, en rond te kijken, terwijl het menu zijn gang ging. Onder den zacht-gelen schijn der kandelabers blankten de tafels met het züver en kristal, waarin lichtjes ontstoken leken; donker koelde in de glazen de wijn; bij ieder glas verkleurde een ziek-purperen maantje op het tafeUaken. AUe dames hadden bouquetjes bij hare borden . gevonden, Annie een tuiltje bloedroode anjelieren, welke zij dadelijk in haar corsage gestoken had. Scherp dwalmden de bloemen hun kruidige reuk, waarvan Annie genoot onder t droomen in haar hoekje. De roos op haar schouder verwelkte reeds, mengde een zoet-weeën geur door de frischte heen der anjelieren-walmen; zij dacht er even over de roos weg te doen, maar hij flatteerde haar zoo, de karbonkelen gesp, en dus liet ze 'm maar...

Sluiten