Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ans, waar zit jij over te droomen? Zeker je hart verloren vanavond! lachte Martha overmoedig; van den Honert maakte haar zeer in 't oog vallend het hof.

— Ach wel nee! lachte Annie bleekjes terug. Ze was werkelijk even heelemaal weg geweest; het was zoo warm; de kaarsengloed danste als een rosse nevel voor haar oogen, en het stemmengezwatel leek een zee, waarop je denken wegdreef zoo heerlijk, in een onbestemde soezing van genot. Een paar maal had ze als werktuigelijk geantwoord op wat haar cavalier haar vroeg; deze zat nu druk met zijn andere buurvrouw te praten. Zij zag, in den nevel, een paar maal de oogen van Carel haar toelachen, die nog altijd druk met dat freuletjé Tessingh te schertsen en te redeneeren zat. Buiten scheen het te regenen. Aan het venster vlak achter haar, door de dikke gordijnen verborgen, hoorde Annie even heel duidelijk een klein getik van druppels, en ze dacht aan de natte straten buitén, koud en donker. Toen zag zij het zaaltje weêr, in den goudigen kaarsennevel, de bewegende lijven, de kleurenwarreling op de tafeltjes, de knechts die met schotels gleden af en aan. Van Beekenhove boog zich tot haar over en schonk haar glas vol, dat zij dadelijk,

dankend, aan de lippen bracht. — Wat was het heerlijk

weelde... ging het door haar heen. Ze zou 4fx niet buiten kunnen... geloofde ze. De Groote Brink... grootma... 't leek alles zoo vèr...

Telkens kwam er nu stagnatie. Er werd getoost; alle de ooms toostten op de jarige, op de moeder van de jarige, op den vader van de jarige. „Een epidemische toostziekte woedde door de zaal," zooals Carel het uitdrukte.

Hun tafeltje had groote pret. Ze zaten nogal in een uithoek van de kamer en stoorden zich aan 't toosten weinig. „Verboden te toosten of naar toosten te luisteren" (Tafelwetboek van de lustige Pimpelaars) had Carel op den achterkant van een yizitekaartje gekrast en dat op het gordijn vastgestoken boven Annie's hoofd. De dames proestten in hun servetten ; „de fuik" had al een paar maal geërgerd haar hoofd omgedraaid.

Ze werden heel opgewonden. Carel hield, tegen zijn eigen voorschriften in, waarvoor hij door het Tessinghkje, door wie hij zich liet bedienen, gestraft werd met geen tweeden keer podding, speciaal voor hun tafeltje een toost, met gedempte stem.

— Ahèm ... ja ziet u ... ik wilde ... ahèm ... het is heden... u begrijpt è è h ... een bizondere dag...

Sluiten