Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaarsenschijn. Haat anjelieren geurden scherp, bedwelmend, vermengd met de kranke reuken van de verwelkende roos op haar schoudet. Zij voelde dat zij veel gedronken had; 't was zoo licht, zoo vreemd in haat hoofd... ze zou nu willen gaan slapen tegen zijn schoudet, heel lang...

Zij bemerkte hoe hij nog dichter tegen haar aanschoof, zijn hand op haar dij legde, die hij zachtjes streelde. Zij het hem begaan, had geen kracht zich te verzetten; haar borst ademde met groote golvingen en haar lippen weekten even open, vochtig-verlangend...

— Nu kan hij alles met mij doen... dacht zij vaag.

Een half uur later zat zij in 't rijtuig naar huis. Ze was moê en slaperig. Ze dacht aan Carel en aan Fré van Hemert; ze wist een oogenblik niet, of het Fré of Carel was geweest tegen wien zij geleund had. En ze dacht aan De Groote Brink, heel vaag, en aan den brief uit Engeland, waar ze nu spoedig zou heengaan... hoe vreemd ...

ooi de zooveelste maal stiet de boemel zijn schrikkig gilletje de lucht in, waar het onmiddellijk verwoei in de ijle ruimte. De trein was dadelijk jachterig zijn vaart gaan versnellen; Annie had opgemerkt dat hij dit telkens deed bij 't naderen van de verschillende haltetjes. Doch ze had terstond geweten — nu — dat het voor haar de laatste maal was.

Zij was opgestaan, nam haar hoed uit het rekje; en terwijl ze, in 't rood-zachte hoekje van de damescoupé teruggezonken, haar manteltje toeknoopte en hare handschoenen vast-

DERDE HOOFDSTUK

Verloving

I

Sluiten