Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Den Haag, en je hoorde geen pianogespeel en geen bakkerskarren... alleen maar duiven-gekoer en die stilte,.. die stilte...

Zij keek naar de lucht, heel hoog en blauw, met witte - wolken... en toen weêr naar den tuin met het zachte groen en de brutale rhododendron-kleuren en naar de witte duiven die aan den voet van de til heen en weêr tripten. Als ze lang naar. omlaag keek werd ze altijd duizelig vroeger... daarom deed ze 't nooit, of neen, daarom deed ze 't toen juist heel dikwijls; Gek, dat je zoo werd aangetrokken tot dat wat je gevaarlijk wist...

't Waren maarschalk Ney en Napoleon, geloofde ze, die daar zoo parmantig hepen... wacht, ze ging ze lokken; probeeren of ze nog allemaal op haar schouders zouden komen, net als vroeger ...

Zij spitste de lippen zoetjes en kirde haar oude lokgeluidjes, en werkelijk daar vlogen ze op van het gras, eerst éen en toen nóg een, en toen twee, drie tegelijk van 't duiventil-dak. Uit de poortjes kwamen kopjes knikken in kleurig geregenboog; rozige pootjes kriebelden geluidjes op het hout van de klepjes, haakten zich dan in haar blouse, heur haar. Daar stond ze weêr, net als vanouds: als een duiven-koninginnetje zou grootma zeggen, die mal-lieve grootma!... Haar oogen streelden het grasveld over naar het raam, achter 't balcon, waar donker paarse glycinentrossen zwaar van neerhingen... daar lag grootmoedertje misschien nog in zoete rust, of... mispoes, daar zag ze haar al staan voor 't raam van de ontbijtkamer.

Het verrast gebaar van 't meisje deed de duiven opklepperen; als een wolk van opgeworpen pluimraketten, die dadelijk weêr neervielen op het gras, op de til, als witte vlokken.

„O-ho !..." riep Annie haar morgengroet uit volle keel, en: „O-ho 1..klonk het zwakjes als met een gebarsten geluidje van uit de openslaande deuren der ontbijtkamer terug. Annie, op haar laddertje, wuifde met haar zakdoek; 't was zoo wijd, zoo vrij alles... héérlijk!

Na 't ontbijt was ze eerst heel knusjes met grootma gearmd den tuin door gegaan; had alles bewonderd; grootma was trotsch op haar tuin als een klein meisje op haar pop; .maar telkens vroeg ze of Annie 't niet mooi vond.

Nu, Annie vónd mooi; zij genoot. Eerst het rijtje irissen opzij van 't huis, met de perken violen en vergeetmijniets daar achter. Vooral de pensées, fluweelig wit en zwart.

A. H. 6

Sluiten