Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren prachtig: net groote, verwonderde kinderoogen. En dan vóór het huis, op het zij-gazon, de azalea's bleekig zalm-rood, als was de rood-kleur er dien nacht uit weggewasschen, wéggeregend... en de ellipsvormige bedden vol naar honig riekende muurbloemen. En daar achter het jonge groen, in een gamma van groen-tinten: van 't groen dat bijna geel was af tot het donkergroen der conifeeren. Heel aan 't eind van het wijdstrekkend middengazon stond het cieraad van De Groote Briük: een oude, stoere beuk, bijna zwart al, alleen in zijn top transparantig bruin, goudig doorschenen tegen de blauwe lucht.

Toen zij grootmoeder naar huis had terug gebracht, ging ze eerst in de kennels Castor en Pollux losmaken, en dan naar den stal en den moestuin — en verder de plaats in naar 't bosch. De sparren hadden grappige gele kwastjes aan hun donker groene naaldentakken, maar voor 't overige vond zij het in 't bosch nu te somber; 't was een verluchting toen ze langs een haar nog onbekend pad opeens voor 't verre, opene van een weiland stond. De honden gingen dadelijk in het gras liggen hijgen, tong uit den bek; zij, Annie, begaf zich op zoek van een schaduwrijk plekje; a pity dat ze geen boek had meêgenomen.

Nu lag zij languit aan den zoom van het bosch op een hoogte, midden tusschen de brem. Links van haar was het bosch, vol bronzen schaduwen, en rechts, in de laagte, het weiland, een verre groene vlakte, geel overstippeld in t zonnelicht. Aan den horizon, die parelig verijlde in een lichtnevel, blonken een paar torentjes; één grootere, heel vaag, was zeker Arnhem. Een rij knotwilgen hief in de verte haar grijs-groene pluimkoppen tegen de lucht — waarschijnlijk was daar een sloot of een weg; de zwarte silhouet van een paard stond er onder; wat dichterbij lagen koeien in 'tveld, roodbruin en wit-gevlekt.

Langs 't heilinkje waarop zij lag, stonden paarse grassen loomig te wuiven; er was haast geen wind; dolle kervel spreidde haar witte schermen van bloemig kant en de sterretjes der eereprijs gluurden verlegen als hel-blauwe oogjes haar aan. Maar 't mooiste was de brem; haast te geel: het verblindde je. Straks als ze naar huis terugging zou ze groote takken plukken voor haar slaapkamer...

Zij werd moê en verzadigd van 't om zich heen zien; sloot de oogen. Om haar rond suisde de stilte; een leeuwerik jubelde hoog in de lucht. En weêr dacht ze, als gisteren middag voor 't raam van haar kamer, aan huis... al

Sluiten