Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare kennissen... haar verblijf in Engeland ook. 't Leek Jbaar zoo ver, zoo ver allej nu; ze begreep niet dat ze nog pas zoo heidensch met Fré geflirt had, toen zij hem, na haar Engelsen jaar, den afgeloopen winter weêr had ontmoet. Hier zou ze dat zeker niet gedaan hebben, geloofde ze. Je voelde je zoo anders, zoo béter buiten; zou een stad je slecht maken ? ...

Zij opende de oogen en zag in het blauw, dat onpeilbaar zich scheen te verdiepen van verschiet in verschiet...

Gesteld, je kon altijd maar doorvliegen, doorvliegen de lucht in — waar zou je dan komen ? De geloovigen zeiden: „in den hemel" — ergens uitkomen moest je in elk geval toch... Ach kom, waar dacht ze aan; niet denken: droomen...

Weêr lag ze met toeë oogen; aan haar voeten hoorde zij de honden, die zich af en toe verlegden of naar een vliegje hapten.

— Als nu Fré ineens 's vóór haar stond. Of Sir George Lansdone!...

Dat kwam zoo plotseling in haar op, dat ze er zelf van schrok; ze wilde nu immers niet aan liefde denken; had ze gisteren dan niet duidelijk gevoeld dat hun charme voor haar was vervluchtigd?

Toch dacht ze aan hen, ineens, aan Sir George nu vooral, en het was, terwijl zij met gesloten oogen lag op haar heuveltje en haar handen in 't gras woelden, of hij boven haar stond: de lange Engelschman met het magere, cleanshaven gezicht en de correcte scheiding in het zwarte haar. Nu boog hij zich over haat heen; zij hield den adem in en vóélde hoe hij dieper zijn gezicht neeg, langzaam dieper óver haar neêr; ze rook de reuk van zijn kleederen; nog even... en ze zou zijn adem voelen... op haar gezicht. Het bloed gulpte plots naar haar wangen, en zij rilde; met een ruk hadden haar vingers een plok gras uitgetrokken...

Als ontnuchterd, de oogen open, staarde zij in 't blauw. Een lichte wind suisde in de boomen, streek langs de rosse pluimen tegen 't walletje, die smijdig bogen. In de verte loeide zwaarmoedig een koe. 't Was vreemd, maar zij voelde zich eensklaps alléén in deze wijdheid van lucht en land; ze verlangde naar vroolijke stemmen, drukke straten, beweeg en vertier. Met heimwee dacht zij aan Londen: 't Strand, Piccadilly... Ze zou nu maar opstaan en naar huis terug gaan; 't was ook niet aardig grootma zoo den eersten dag al alleen te laten...

Toch bleef zij nog even liggen; keek naar een vlieaje.

Sluiten