Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Was zij slecht ? Ze geloofde van wel, want ze deed soms intens slechte dingen, waat ze dadelijk spijt van had. Zoo met dat torretje, dat ze in koelen bloede had doodgedrukt. En o, met een massa andere dingen 1... Dan kon ze weêr wenschen Roomsch te zijn, in een klooster haar zonden af te boeten — in een kale cel te bidden voor een Maria-beeld, tot haar knieën pijn deden. Nooit meer de blauwe lucht en de groene velden te zien, of het bosch in najaarstinten. Geen andere wandeling dan van je cel naar de kerk over een somber binnenplein, en van de kerk weêr naar je cel terug. Zoo je heele leven, je mooie jeugd... voorbij gaande zonder dat iemand het wist buiten de andere kloosterlingen.

Dan, op een morgen, zouden ze haar dood vinden in haar cel, heel bleek, als een wassen beeld, met op de borst gevouwen handen en haar blonde haren als een krans om haar hoofd. Of neen, die zouden al lang zijn afgesneden; er zou niets, niets aan haar mogen zijn dat aan vroeger herinnerde, den tijd dat ze „in de wereld" was. Dan zou men kaarsen rondom haar plaatsen en de zusters zouden om haar heen gaan als in processie, al biddende; en in de kapel zou een mis voor haar ziel worden gelezen. Dan zou haar naam worden opgeteekend in de kloosterboeken en zouden latere geslachten lezen: hoe in die en die jaren een zuster Anna had geleefd, vroom en ingetogen, vele jaren, en gestorven was, op jeugdigen leeftijd, als een heilige ...

Het was op een avond, boven op haar kamer,-terwijl zij stond voor 't raam — dat dit alles door haar heen ging. Tusschen het donkere gewir der boomtakken hing de maan als een zilveren kelk haar licht uit te gieten over De Groote Brink: zijn grasgazons en de witte schelppaden van den bloementuin opzij van het huis, de heesters en struiken, 't Lag alles in blankte van den klaren schijn, als onder een betoovering, die het in roerlooze aamloosheid hield gevangen. Op het groote voorgazon trilde een gespeel van ijle schaduwen, nu eens aanzwevend en dan weêr verdwijnend, zich lossende op in den maannacht — als schimmen.

Zij zou vroeg sterven...

Zij begreep niet hoe deze gedachte zich zoo eensklaps in haar vast kon zetten, en zij wilde ook niet, trachtte zich los te maken uit dien vreemden ban, maar zij kon niet. Haar voeten schenen aan die plek voor 't yenster gebonden: de maannacht hield haar vast met zilvren draden van betoovering, als in een web. Haar oogen staarden... en de maannacht buiten was de blanke stilte van een maanbeschenen

Sluiten