Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cel, waar een meisje lag met gevouwen handen, wit en roerloos. En dat meisje was zij.

Zij voelde hare oogen vol tranen komen en zij hoorde zich zelve prevelen: hoe vreemd... zou dat werkelijk een teeken zijn dat ik jong zal sterven ?... Dan, zij rukte zich los nu, scheurend dat onzichtbaar web rond zich om aan flarden; stak licht aan bij de tafel en trok met vaste hand de gordijnen toe.

En toen zij den volgenden morgen laat wakker werd, de ochtendzon goudig door de gordijnreten kierde en de frissche wind door de geopende vensters een dauwige koelte in de kamer blies — vogelen zongen in de takken der boomen; ze hoorde de duiven koeren en Gijs, den tuinknecht, klankig zijn zeis scherpen, — toen leek dat alles van gisteren haar een dwaze droom, waarom zij hartelijk lachen moest ■— en zij sprong uit bed en kleedde zich haastig, plaste frisch met het water over' borst en gezicht, daarmee plassende het leven over zich heen, den zomer die jong en mooi en zonnig was en dien zij genieten wilde, volop genieten, omdat ook zij jong en vroolijk en... mooi, neen, dat niet, maar tenminste niet leelijk wasl En beneden had zij grootma, die al voor de ontbijttafel zat te wachten (grootma was altijd zoo precies 1) twee klapzoenen gegeven: een op elk van haar oude, lieve wangetjes met roode blosjes nu, en juffrouw Verheide — die stijve hark, maar toch een goed mensch — geplaagd tot ze een kleur kreeg als vuur — en buiten, onder de hoog-blauwe lucht, temidden van 't groen en de bloemen waarover kapelletjes knipperden, had zij geloopen met wijde handen in zalig zich-gaan-laten, om dan weêr plotseling dol met Castor en Pollux over 't gras-gazon heen te hollen, tot ze gestruikeld was over een kuil en gevallen in 't dauwige gras en gerobbedoesd had en geflikflooid met haar honden, die speelschig haar polsen beknauwd hadden en haar gezicht belikkebaard — haar dolle, haar rekkerige, haar éénige jongens ...

V

— Dag grootmoeder... adieu I •

Annie, half gekeerd op haar zadel, wuifde een luchtig gebaar naar de veranda, en haar fietswiel dat een loszinnige zwenking maakte dadelijk weêr tot de orde brengende, raderde zij lichtjes het grintpad af en verdween tusschen 't groen.

Sluiten