Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude mevrouw had den brief in haar schoot laten zinken en staarde met een glimlach, die, even, door zorg werd getroebeld, langs de wieglende slingers van het jonge wingerd-loof de zonnige pad-lengte af naar 't verschietje van groene heesters, waarachter haar kleindochter verdwenen was. En even, met den helderen stemklank die nog als natrillend hing in den stillen middag, bleef het beeld van het wegwielerend meisje heel zuiver geteekend in haar herinnerend na-peinzen leven: het slanke figuurtje in wit serge manteltje en rok, met de fijn-zwarte streepjes, het blonde haar welig uitkroezend onder de witte baret, en de geel-leêren voetjes telkens onder den rokzoom uitschietend, trappende de blinkende pedalen.

En haar glimlach verinnigde, speelde met zoete rimpeltjes om haar ouden mond, deed voor een oogenblik er de zorgelijke trekking vervagen in een ontspanning van algeheele teederheid. 't Was een lief kind, haar Annie; wat zou zij, oude vrouw, toch wezen zonder haar...

Maar toen viel haar oog weêr op den brief, die naast het brillehuis in haar schoot lag, en de stroeve plooi kwam weêr zorgelijken om den mond, waarvan de glimlach verdween ... Haar oude vingers begonnen beverig aan het papier te plukken; haar oogen zagen strak neêr op de groote zwarte letters van Robert's schrift. Al tweemaal had ze zijn brief gelezen en nog wist zij niet wat te doen. Ze vond het geval heel droevig en heel moeilijk. Robert vroeg om geld, dringend om geld. Hij had een eereschuld, schreef hij — binnen veertien dagen moest hij f 2000.-' betalen, doch hij had het geld niet en durfde er zijn ouders niet in mengen. Alleen zijn lieve ouwe trouwe grootmoedertje durfde hij er om vragen, wel wetend dat hij bij haar niet tevergeefs zou aankloppen. O, het ze hem dan niet teleurstellen; hij maakte zich sterk haar 't geld binnen betrekkelijk korten tijd te kunnen terug geven.

De onderteekening van den brief luidde: „Uw U hartelijk liefhebbende en alleen door Uwen liefderijken bijstand levende kleinzoon Robert Hada ..."

Die onderteekening vooral baarde haar veel zorg. Wat bedoelde de jongen met die vreemde toevoeging: „alleen door Uw liefderijken bijstand levende" ? Bedoelde hij, dat zoo zij hem niet hielp. ..

Zij rilde. Het bijna verbleekt vizioen rees voor haar oogen van een oom Hada, oom van haar man, die om een speelschuld zich den hals had afgesneden in den tijd dat zij zelve

Sluiten