Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog jong verloofd meisje was. Als een even-huivering was het in den lichten zonnemiddag, als een schaduw aansluipend over 't fel-groen grasgazon, een bijna onmerkbaar ritselen in de roerloos schijnende struiken. Rechts opzij, stond het perk rhododendrons als een schreeuw van rood en paars; schreeuw verstard in de doode stilte van het park...

Zij voelde zich opeens heel eenzaam zitten hier in die wijdheid van licht en lucht, die uitgestrektheid van haar groote buiten, waarvan zij zelve al de verborgene hoekjes niet kende- Lust voelde zij te roepen om den koetsier, den tuinman; te schellen om juffrouw Verheide, de dienstboden ... alleen om maar menschen te zien, stemmen te hooren, welke die akelige stilte zouden verstoren...

Maar toen, met een resoluutheid die haar eigen was op sommige oogenblikken, een optimisme wel vreemd in een vrouw als zij, wie 't pessimisme in het bloed zat, zette zij haar angst van zich af. Het was dwaas zich zooveel muizenissen in 't hoofd te halen om niets, om een hersenschim, alleen omdat Robert wat geld vroeg. Dat kon gebeuren onder jongelui, dat men wat „kort" zat — het was niet goed: men moest leven naar zijn vermogen, maar het was toch begrijpelijk. Als Robert gespeeld had, dan was dat zeer verkeerd en gevaarlijk en zou zij hem grootmoederlijk berispen; hij zou zeker naar haar luisteren, want hij was niet slecht, alleen zwak, zooals zoovele Hada's zwak waren ...

Zij zuchtte. Een treurigheid wolkte weêr over hare ziel, nu zij dacht aan haar man... aan haar zoon ook, Louis; aan dat dwaze huwelijk met Sophie. Sophie was niet zwak— die was sterk, maar van een kracht die haar antipathiek was, al kon ze er zich dan ook geen rekenschap van geven. Al was ze oud — ze had toch niet veel menschenkennis; dat was hare zwakheid ...

Vanuit de veranda staarden haar oogen naar buiten in het park, waar 't grasgazon, de roerlooze boomgroepen lagen in een trillenden nevel van zon. Hier en daar brak uit een bloemperk een felle kleur — rood of paars of helgeel — naar voren, als stukjes harde verf mosaiek-achtig ingevoegd in de tonige groen-schakeeringen, die wazig in elkaar vervloeiden. Op het middengazon, rechts van de duiventil, zwaaide een sproeier zijn zilveren sluiers speelsch om zich rond; als een zacht-klein geluidje van frischte ruischte het water in den wijden, dooden middag.

Mevrouw Hada had haar bril weêr opgezet en doorliep noa eens den brief. Toen hief zij zich moeilijk uit haar

Sluiten