Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieten leunstoel en ging de kamer binnen: papier en pen halen om aan haar bankier te schrijven...

VI

Het laatste stukje van de schaduwrijke oprijlaan van Dennenhorst had zij heerlijk gefreewheeld, en nu zij uit de oranjerie Jet Broeckaerts haar zag tegemoet komen, sprong zij van haar flets en wuifde met de hand, blij dat Jet en zij zulke goede vriendinnen waren. Wat zag Jet er weêr snoezig -uit in dat witte toiletje met die roode sjerp. Als zij een man was, zou ze dadelijk verliefd op haar worden.

— Zoo Ans, prettig dat je komt; verbeeld je, we zijn met zijn dertienen, 't ongeluksgetal; er zijn anders uitstekende spelers onder. Heel veel beurten zal elk dus wel niet krijgen...

— Nou, in de oranjerie te zitten is ook wel geestig; tenminste... als de heeren niet saai zijn. Wie zijn er al zoo? ...

Maar zij hadden 't gezelschap reeds bereikt, en Jet stelde Annie voor aan degenen die ze nog niet ontmoet had. Er waren, behalve Jets broers, Annie al van vroeger bekend, en een studievriend van Jan: een Mr. Ter Kraane, logé van de Broeckaerts', drie freuletjes de Teek van Doorn, die voor eenige maanden met hun moeder in de buurt waren komen wonen; verder een zekere Mr. Grèveling, Griflier bij het Kantongerecht, eerst onlangs aangesteld, en een juffrouw de Haas, een erg simpel meisje, in een dwaas, veel te -nauw bloezetje, blijkbaar een protêgétje van Jet, dat zich tusschen de anderen niets op haar gemak voelde. Voorts Emilie Fockens met haar broêr: oude kennissen van Jet, maar die Annie nog niet ontmoet had, en: — Hé, dag meneer van Meerwijk, hoe maakt u het? Ik wist niet dat u weêr op Dennenhorst logeerde. Mooi dat u ons niet in de steek hebt gelaten. Weet u wel, dat wij nog altijd een revanche hebben ?

Hij reikte haar de hand —* wat slap, hetgeen Annie onaangenaam aandeed. Ze hield niet van mannen die slappe handen gaven, ze voelde dan altijd iets wee's, als een rilling. En ook zijn blik, de blik uit die donkere oogen, fluweelig streelend en toch spottend tegelijkertijd, stemde haar vreemdverlegen, zoodat ze zich haastig afkeerde, om iets te vragen aan Jet, die juist langs haar ging. Ze begreep niet verleden jaar toch heusch een beetje van hem gecharmeerd te zijn geweest; hij was zoo heel anders dan Fré van Hemert en meneer Boudaen b.v. — ze hield meer van dat laatste slag van mannen.

Sluiten