Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En toen was zij opeens in het zonnig ochtendbosch tusschen de dennen en zag zij hem op kleinen afstand van haar zitten, tegen een boomstam aan. En zij hoorde zijn stem tot haar spieken, en zij voelde zijn oogen diep-innig haar aanzien — en een weldoende rust vloeide in haar binnen. De nacht scheen zoo verschrikkelijk niet meer: 't was immers haar Groote Brink die daar lag; waarvan zij ieder hoekje kende ... De rozen geurden... En 't was ook zoo donker niet: kijk, daar had je toch stenen... daai een, en daar ... en daar... Hoe,had ze zoo bang kunnen zijn; ze begreep niet... Maar 't werd koel; ze ging nog wat gezellig bij grootmoeder binnen zitten — met een boek onder de lamp. En onderwijl aan hèm denken... en aan morgen, als zij hem weêr zien' zou op Dennenhorst...

IX

En nu was het een dag later — weêr avond •— en zij had hem terug gezien en zij wist nu zéker dat hij van haar hield, zooals zij gek op hèm was, dol, krankzinnig I Dadelijk na den eten was zij de plaats in gegaan: ze kon niet stil blijven zitten; ze moest loopen, zich bewegen, hollen, schreeuwen, ze wist zelf niet wat. Castor en Pollux waren haar niet woest genoeg; zij hitste ze aan op het boschpad achter den stal; ze hield eèn wedstrijd met ze. En zij voelde zich heerlijk moê worden; ze zag al uit naar een rustig plekje in het bosch om zich neêr te gooien, zich uit te rekken, zalig te kunnen blijven liggen tot het donker werd.

En nu lag zij — op haar rug in 't mos, met opgetrokken knieën —j en dacht na over alles wat dien middag was gebeurd. Eigenlijk was er nog niets gebeurd. Hij had niets gezegd dat op een verklaring geleek; dat kon ook niet: zoo gauw. En toch — ja, in dat ééne zinnetje, daarin lag een verklaring, daarin had ze zijn verklaring gevoeld, al leek het dan ook maar een gewoon beleefdheids-frazetje of een flirtzinnetje. Een andere man zou het misschien met flirtbedoelingen gezegd hebben, maar niet hij. En zij had aan zijn óógen gezien dat hij het meende... Hoe was het ook weêr alles gegaan ? ...

De laatste zon scheen door het beukenloof waaronder zij lag, op het mos, in een afgelegen deel van de plaats. Stilgrijs, als oude wijze reuzen, stonden de stammen om haar op, hier en daar bronzig bezonnestreept. Een heester aan haar voeten was als kopergroen uitgeslagen door 't blauw-

Sluiten