Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijezachten baard. Ze hield van hem... ze hield van hem; 't was geen gecharmeerd-zijn alleen; ze vóelde het: dit was liefde, echte, groote liefde, waarvoor ze alles, alles, alles zou kunnen opofferen...

Zij voelde zich warm en koortsig worden; rillingen hepen | haar over het lichaam; hare oogen staarden wijd-open naar den hoogen hemel, die bleek betrok nu de zon was ondergegaan.

Wat was dat vreemd: het maakte je gelukkig en toch zoo onrustig. Zij sprong op ; ze had eensklaps behoefte te loopen, te hollen, de heele plaats door, alle paden door. Maar 'twerd te donker; in den vallenden schemer liep zij het pad terug waarlangs ze gekomen was; snuffelend in de struiken gingen de honden voor haar uit. Hier en daar, aan den kant van den weg, lichtte een glimwormpje zijn groenig-wit glanspuntje tegen de pad-donkerte af. 't Was of zij onder 't loopen het duister vallen zag. Toen zij een eenzaam bankje langs kwam snelde de gedachte door haar heen: wat het zijn zou als zij Willem hier ontmoette en hij haar nam, op dat bankje, in zijn armen, en haar kuste...

Iets zwijmelends ging door haar heen, dat haar stap vertraagde; iets wankelends voelde ze in haar beenen loomen en ze had neêr willen zinken op den grond, om de aarde te omhelzen. Ben ik gek ? ... dacht zij nuchter, en zij begon weêr te loopen, te hollen, in een plotselingen drang tot bewegen weêr, zich heerlijk moê te maken, en dan uit te rusten onder de veranda straks, waar 't zoo gezellig was met grootma en de razende theestoof... en dan, terwijl het al donkerder werd, in haar hoekje weêr zalig te denken aan Willem, als iets goddelijk-verbodens, waarvan niemand weten mocht...

Toch, in 't park gekomen, het huis al in 't zicht, verlangzaamde zij haar stap. Daarginds zat grootmoeder met de gezelschapsjuf; ze hadden de lamp al aan; ze meende het wit van een courant onder den lampschijn te zien... En opeens was haar lust om bij die oude menschen te gaan zitten en misschien allerlei praatjes te moeten aanhooren, terwijl ze zoo'n heerlijk, zoo'n zingend Geheim in zich droeg, verdwenen. Got, nee, ze bleef nog wat hier; 't was hier stil, en wat rook het lekker 1...

Langzaam, haar handen op den rug, ging zij door de laantjes van het park; straks, als het wat donkerder was, zou ze ook de paadjes om het gazon nemen, waar de rozen stonden. Nü zouden ze haar daar vanuit de veranda nog kunnen zien.

Sluiten