Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die onmogelijk een goeden invloed kon oefenen op een 200 impressionabel wezentje als Annie.

Na waren zij getrouwd; daar voor hem op de sofa lag zij: zijn vrouw. Hij luisterde even in de stilte om hem heen waarin niets klonk dan 't zware tikken van de Friesche klok aan den wand en het hooger, sneller tikken der pendule op den schoorsteenmantel in de andere kamer. Hij voelde zich plechtig, bijna vroom gestemd; als hij geloovig was geweest zou hij op dat oogenblik gebeden hebben voor t geluk van haar, die haar leven, haar toekomst bad gelegd in zijne hand...

Annie sloeg haar oogen open en glimlachte. Zij zocht zijn hand en drukte die. — Ik heb gedroomd en toch niet geslapen... zoo vreemd Willy. Ik droomde 'k was met jou hoog in de bergen. Jij droeg me in je armen over kloven en afgronden heen. Heel beneden zag ik de steden en menschen; er speelden carillons in de torens, en de zon scheen over de rivieren, die zilveren linten leken. Om een ouden kerktoren zweefden witte meeuwen; toen je mij er langs droeg zag ik door de galmgaten het oude, verroeste klokkenspel in beweging; een paar zwaluwen had zijn nest gebouwd juist tusschen twee hamers. Ook bij een kluizenaar kwamen we. hoog in de bergen; in zijn hol in de rotsen zat een jong meisje tegenover den man in bruine pij. En dat jonge meisje was ik. zooals ik was een jaar of drie geleden ... Zeg. Willy, was dat geen vreemde droom 1...

Hij was opgestaan en kuste haar voorzichtig het voorhoofd. — Mijn klein fantastisch vrouwtje.

Zij lachte; haar vingers speelden met zijn blonden baard. — Heb jij dat nooit gehad, zulke fantazieën? vraagde zij. *r Als klein meisje op De Elze had ik het al. en later, toen ik bijvoorbeeld eens in een Roomsche kerk was; ik ben daar eens heengegaan toen ik bij grootma logeerde. En toch ben ik heelemaal niet poëtisch hoor! dat heb je in ons engagement wel kunnen merken, niet? 'k Woü altijd maar rijden en rossen 1 't Is iets geks in me, iets halfslachtigs, vind ie niet ?...

—• Ach wel neen...

Zij keek de kamer rond, terwijl zij lag. — 'k Rust heerlijk uit, had ze even gezegd, — 'k mag nog wel effen hè ? Gek dat we geen meid hebben, heel alteen zijn in dit groote huis: óns huis... De meiden komen eerst morgen om zes uur; Pietje heeft een sleutel... héét ze niet Pietje 1... ik weet het heusch niet meer... 't Is zoo'n gekke gedachte

Sluiten