Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij wuifde voor haar raam met den arm ; tikte tegen 't glas.

Nu ontdekte hij haar, salueerde met zijn zweep, terwijl zijn oogen half spottend lachten. Hij had weêr een nieuw pak, zag Annie dadelijk: grijs, met heel lage revers, zooals nu de mode was. Hij droeg een grijzen dop.

Annie was de trap afgesneld en deed de deur open. — Zoo, zieke meneer, ben je daar! kom je binnen, of zullen we maar dadehjk gaan ?

— 'k Heb dien vriend- met zijn baggerlaarzen maar thuis gelaten; kan dus Fanny niet alleen laten, zei Robert, met zijn zweep knallend. Annie zag aan den overkant al weêr gezichten koekeloeren: die bleekneuzige dochter van den Majoor en een paar huizen verder een juffrouw met een bril op. Vervelend, dacht zij; Den Haag was net een groot dorp, en dan deze straat vooral!

Robert boog zich over, hielp haar de treê op; toen klakte hij achter de tanden — en zij reden de straat af. Bij het weiland aan den Wassenaarschen weg ademde Annie ruimer op. Hè, hier bekwam je, na zoo'n duffe straat I Boven de groene gestrektheid van het wintersche gras parelde de lucht in zilvrig-grijze wolkjes; een frisch briesje woei over de vlakte. Zij reden nu langs het kanaal aan den lagen oever; een stoomtram kwam aan, maar Fanny was nog al niet schrikkerig.

< Robert monsterde zijn zuster met een goedkeurenden blik: n knappe meid, te goed eigenlijk voor zoo'n wetten-wurmer; ofschoon... Ter Kraane was 'n patente kerel.

— En vertel me nu eens, mijn waarde heer en broeder, wat scheelt je nu eigenlijk ? ...

— Schelen? hoe 1... vroeg hij verwonderd. — Ah juist, if ™c<mt • • • Ja. wat zal ik zeggen; voor mijfa ziekte hebben de dokters geen naam: ongedurigheid, niet-weten-waar-hette-zoeken... Je probeert te werken, maar 't lukt niet; je smijt je boeken neêr en gaat ijsberen op je kast, tot' je ploerterij komt vragen „of meheir assieblieft niet wat minder zou bonze kenne; de kenarie beneeë fladderde zoo"... Je zet je hoed op en loopt er uit, de Breestraat op, steekt even je neus in de kroeg, maar daar is nog niemand. Hu! de kroeg zonder menschen heeft veel van de eeuwige verdoemenis. Je loopt weêr op straat; een van de lui gaan opzoeken ? Ach nee! Gaan kijken of er ook gehockeyd wordt — ach nee! Wat wandelen naar de Vink of zoo iets; óók al niet...

En in zoo'n stemming ga je dan maar op de spoor zitten

Sluiten