Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarom durfde Annie in zijn tegenwoordigheid nooit veel op het huis af te geven, al vond ze het somber en akelig. Toch hield ze veel van oude huizen; De Groote Brink was ook een oud huis en dat vond ze heerlijk. Maar zooals het Brink-huis net een huis geknipt was voor grootmoeder, zoo was dit oude gracht-huis net een huis geknipt voor de Ter Kraanes. Toch waren de Ter Kraanes geen sombere menschen, en niet duf waren ze ook, wèl deftig. Maar Annie hield niet van hen, zoo min als van het huis. En dit niethouden scheen wel wederkeerig. Annie vóélde, dat — hóe vriendelijk men haar in Willems familie ook tegemoet kwam — zij daar niet begeerd werd, men een andere vrouw voor hem had gewenscht.

Dien regen-middag, dat zij er eten zouden, hadden zij er in het rijtuig over gesproken, een oogenblik, want het was een onderwerp dat hen van weerszijden prikkelde en daarom instinctief door hen vermeden werd.

— Waarom ben je toch altijd zoo stug, kindje, als we naar de Prinsengracht gaan? had hij gezegd, trachtend haar vingertjes te vatten, die aan het handschoenknoopje peuterden.

~ Waarom? Wel, omdat ze daar ginds tóch niet van me houden; da's nogal widas niet?...

— Maar liefste, hoe kom je daar toch aan... Ik verzeker je...

— Ach kom, verzeker maar niets, want het is zoo. Een vrouw voelt zulke dingen misschien beter dan een man... Ze haten me ...

— Ach, wel nee, gebruik toch niet zulke krachtwoorden. Ze houden van je, heusch... en ze zullen hoe langer hoe meer van je gaan houden, als jij van jou kant...

— Even degelijk wordt als zij 1 vulde Annie schamper aan. — Net als Marie de armenwijken afloopt voor een vacantie-kolonie, of als Jo ijvert voor de geheel-onthouding en de rein-levenbeweging en hoe al die brave dingen meer mogen heeten... Bien merci 1

— Maar kindje, dat vraagt niemand van je, als je daar geen lust in hebt. Heusch, je doet hun onrecht...

Ze hadden daarover in 't rijtuig niet verder gesproken, doch nu zij in de groote voorkamer zaten, de kamer met de half weggeschoven vitrages, bleef dat gevoel van hier niet thuis te zijn als een gemehjke onlust in haar hangen.

Zij zat bij het raam in een laag stoeltje. Marie had haar dadelijk in beslag genomen, was druk met haar gaan praten, als om haar vooral toch maar „bezig te houden", dacht

Sluiten