Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2ij voor zich zelf. Ik ben een spook soms, denk alleen aan mijn eigen belangetjes...

En toen het rijtuig al voor was, had ze met Marie nog gauw even een afspraakje gemaakt voor een dag dat ze meê zou gaan werken voor haar Vereeniging.

V

De winter rekte zich met lange gure dagen tot in het vroege voorjaar toe. Blauw-zwarte wolken dreven over de Nassau Odijkstraat, zich af en toe ontlastend in neêrgudsende regenbuien. Daarna woei er weêr dagen lang een droge, scherpe wind, die het stof van de grijze keien opzweepte en tegen de kozijnen en vensters dreef. In het Bosch bleven de boomen lang kaal, hun verweerde stammen met het zwarte takkengewirwar reuzig tegen de grauwe, onrustige lucht. Soms was het een oogenblik stil, scheen de wind voor enkele uren neêrgeslapt, of hield de regen op met stroomen, kwijnde een waterig zonnetje achter het goor-geel hemel vlies, • dat het toch niet te breken vermocht. Dan hing er wel evên als een verwachting in de atmosfeer, zoelde er iets van naderend voorjaar; de huizen schenen zich als op te richten uit hun bukking voor den straffen wind, fleurden met frisschere kleuren. En ook de menschen schenen eensklaps anders, jonger, geworden ; hepen met vroolijker gezichten, spraken met helderder stem. Maar daarna dichtte zich het vlies weêr tot een taaie dikke kap over de stad, die versomberde; een rillende kilte voer door de straten; het luchtylies schrompelde samen tot wolken, en een koude regen plaste neêr, dadelijk heelemaal nat makend. Dan was het weêr even stil, dropen de boomen uit en kaatsten de plassen op de slikklge wegen triestig het witte licht.

Plagerig reed nu de eerste windruiter weêr door de lucht, rammelend en slapperend aan alles waar hij langs scheerde. Brutaal reed hij tegen de menschen op als ze een straathoek omsloegen. Maar een gonzen kwam aan door het luchtruim, dat van de ruiters nu vol werd. En daar was hij dan weêr: de wind, treiterig als zoovele weken al; daar vulde hij de dagen weêr met zijn troosteloos gewaai, zijn snerpend gegeesel — rijdend over de vermoeide daken der stad, rusteloos en als zou het nu eeuwig zoo blijven...

Annie leed onder den wind. Willy had het druk met allerlei

Sluiten