Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een warm, zonnig strand, met een heerlijke koeling van de zomerzee. Veel lachende kleuren en vroolijke menschen: heeren in flanellen pakken en dames in witte japonnetjes, een chique cosmopolitische bevolking, die 't leven niet zwaarder nam dan noodig was voor een luchtig gesprek of piquante flirt, een boeiend romannetje en een goeden lunch. Ook zij liep daar met Willy, en de menschen keken hen na, vonden hen een knap paar. Zij was trotsch op hem, op zijn blonden baard, zijn bruine oogen. Herhaaldelijk groetten hen kennissen. Of zij zat in de Kurzaal op symphonieavond; ze het zich drijven op de golvingen eener zoo zoete muziek van violen en klagende cellen. Ze ging straks, als het buiten nog donkerder was over de zee, met Willy soupeeren in een der witte zaaltjes opzij van het terras, eerst knusjes met Willy alleen en dan later met veel vroolijke kennissen; ook Fré van Hemert was er bij. Ze dronken champagne en werden heel opgewonden. In 't donker reden zij daarna over den met lichtjes geïllumineerden strandboulevard naar huis terug — zij in Wims armen...

Annie genoot er van, zoo te droomen; de ontverfde werkelijkheid der lange, saaie na-winterdagen, waarop iedere avond wat later inviel zonder dat toch de dagen recht licht werden, werd er door gekleurd met een waas van warme weeldrigheid, een geurende blijheid, waarin ze hare matte ziel voelde opleven.

Hoü ik wel heusch zóóveel van Willy als ik mij voorstel? ... ging het op een morgen eensklaps door haar heen. Zij schrok; het scheen een gedachte die van buitenaf tot haar kwam, niet gegroeid uit eigen zielsbewegingen. Zij stond voor den spiegel in den salon. De gordijnen waren wat toegeschoven voor de vitrages, zoodat in de weinig gebruikte kamer er een troebele schemering hing, opgevangen in het groote spiegelvlak, dat met vreemde diepten glimmerde.

Annie, zoo staande, zag haar gezicht als een bleeke plek uit die diepten boven drijven; 't was iets onwerkelijks en zij begreep niet dat zij het was... Zij lichtte even haar arm op en bracht hare hand boven 't hoofd aan haar kapsel; neen, zij was het toch wel...

En ze dacht na over wat, zoo plotseling, en als uit de diepten van dat geheimzinnig spiegelvlak met zijn wondere klaarheden en troebele glanzingen, als van een verlaten vijver in de schemering, was opgekomen... zonder dat zij het wachtte of wilde.

Zij ging zitten in een crapaud, hare armen naast zich op de beide leuningen. Even luisterde ze naar de geluiden in

Sluiten