Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te verdedigen. Ik weet óók niet wat mij bezielde zoo opeens...

Zij hoorde het zich zeggen, koel en hoog ; zij haatte hem op dat oogenblik.

Spoedig daarop gingen ze zwijgend naar bed.

Den volgenden morgen, — Willy naar zijn kantoor — 't was alles weêr goed nu tusschen hen — zij zat op haar boudoirtje en schreef een brief aan Jet Broeckaerts — 'kwam Martha zeggen, dat er beneden een heer was, met een rijtuig, die mevrouw graag even spreken zou. Zij reikte Annie een kaartje en: „Papa!" had Annie verrast uitgeroepen,was naar beneden gesneld, waar de voordeur nog open stond. In de zonnige straat, vóór het trottoir, stond de dogcart te glimmen. David, het groompje, in zijn groene jas met gouden knoopen, zag ze bij den kop van 't paard met gevouwen htuiden wachten, in grappige deftigheid, en in de dogcart zelf, in zijn witflanellen pak, papa I

— Dag vadertje, hoe geestig! Ben je daar eindelijk heusch ? Wel foei wat 'n schande, zóó lang op reis te blijven! 'k Had het al opgegeven je nog ooit terug te zien.

— Dag Annie • • • ja ... üche üche ... 't is wat lang geweest ; maar mijn gezondheid was slecht dezen winter ... exceptioneel ellendig ... Enfln, hoe gaat het jou hè ... goed zeker ? ... Juist... mooi 1 Wacht ik kom er af...

Hij had zich voorover gebogen en haar vluchtig gekust; kwam nu de dogcart af, gaf David de teugels. — Rijd maar wat om; kom over een hatf uur terug, ja.

Annie ging haar vader voor, het huis in; telkens als zij hem terug zag trof het haar als met een pijnlijke verrassing dat hij zoo öud geworden was in de laatste jaren, al vond ze hem nu niet ouder dan bij hun bruiloft, de laatste maal dat zij hem had gezien; dat lichtgestreepte pak stond hem zelfs jeugdig, te jeugdig, dacht zij even.

— En hier heb je nu onze huiskamer, vader. Wat zeg je er van ? Vinje't nog al aardig ingericht ? Vooral 's avonds is 't een dol-gezellige kamer. En hier, kijk, da's de salon: 't ameublement van grootmoedertje; hebben 't zelf mogen kiezen; mooi van kleur alles, vinje niet ?...

De heer Hada ging langzaam naast haar de kamer rond, het zijn oogen onbestemd om zich heen waren; tuurde af en toe wat aandachtiger, als met bijziende oogen, en opgetrokken wenkbrauwen, naar wat zijn opmerkzaamheid bizonder trof. Bij een beeldgroep op den schoorsteenmantel bleef hij staan; tikte er tegen met zijn lange, nerveuze nagelvingers. —

Sluiten