Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de pauze wat rond te slenteren, kennissen te groeten en gegroet te worden. Was dat alles eigenlijk niet in-vervelend? En onderwijl ging het groote leven zijn gang, het heerlijke, schitterende leven, waar zij buiten stond. O, heel mooi te zijn en heel rijkl te kunnen leven in een roes van steeds weêr andere vermaken: op een groot kasteel te wonen met terrassen en tuinen, een massa bedienden te houden, de eerste personen uit het land bij je te ontvangen. Je een kring te kunnen scheppen van weelde en intellect, ook veel kunst om je heen te hebben — en dan een schaar van aanbidders, geen laffe vleiers of banale amants, maar jonge mannen van hoffelijke gratie en exquizen geest...

— Zeg Ans, wat zit je daar te droomen?...

Zij opende de oogen, wat verschrikt door die plotselinge stem naast haar; zag dat ze nu den Gevers Deynootweg afreden.

— Ik genoot; wat... is de lucht mooi, niet? ...

— We kunnen straks, voor we de zaal ingaan, nog even op 't terras naar de zee gaan zien, stelde hij voor.

Zij knikte hem toe, greep zijn hand; ze voelde zich wat schuldig jegens hem.

Bij den Kurhaus-ingang aan de terras-zijde heten zij zich afzetten: de portier draaide hen naar binnen. Er waren niet veel menschen hier buiten; alleen aan de zaalzijde onder de overkapping was tafeltje aan tafeltje bezet. Willem en Annie staken dwars het plein over naar de rotonde, bleven bij 't afscheidingshek van de pier even staan. Een frissche zeebries woei hun tegen; achter 't gele strand, ver teruggetrokken, krulde de zee hare grijze golven in rusteloos beweeg. Een rood koperen zonneveeg lag over de verderop gladde vlakte, waar groene en violette weêrschijnen wisselden. Tegen den hemel beefde een gouden klaarheid met reepen purper bezoomd; het scheen daar als een rijk, een wereld op zich zelf, alle aardsche duisternis onttogen, levend een afzonderlijk bestaan van éigen schoone heerlijkheid.

Hoe stil en hoe wijd was het hier; alle kleine geluidjes van den boulevard, 't gelach en gepraat der kleine menschjes zonk weg in dat éene rustige geruisen van de groote, de machtige zee... Een paar dichtregels die Willy haar zoo vaak had voorgelezen, drongen zich als vanzelf aan haar op, als een stem van verlangen, 'lijk armen die zich uitstrekten...

O zee, was ik als gij in al uw onbewustheid, Dan zou ik eerst geheel en gróót gelukkig zijn...

Zij dacht aan hare stemming van straks, in het rijtuig —

Sluiten