Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelde hij zich; het was of zijn lichaam, in de klamme warmte, één groot stuk was van belabberdheid. Hij kratste zijn tanden opeen; schopte, slentergaand, zijn beenen vooruit, als tartte hij ze* van zijn lichaam af te vliegen. Zijn handen met den wandelstok hield hij op den rug; zijn hoed diep op 't voorhoofd gedrukt; tusschen zijn lippen zwiebelde een cigarette.

Ja, het leven was wel een beroerde boel als je het indacht: daar had-i nou nagenoeg den heelen middag gehangen op die sociëteit, waar het warm en vervelend was, en daar liep hij nu door die saaie straten waar het óok al warm was. En waarvoor? De menschen leken wel met z'n allen gek van dat „leven" te noemen, deze exorbitante idioterij. Kijk daar die kerels ploeteren achter hun kar voor misschien twintig cent in een uur, als hun baas zoo royaal is I En dat noemt zich mensch; spreekt van leven 1 De een vertrapt den ander waar en hóe-d-i kan en het éénig motief voor al dat jachten is geld, geld, geld. Als hij dorst, zou een zoon er zijn moeder om vermoorden, een vader zijn eigen kind... Maar móéd was ver te zoeken op de vuilnisbelt van menschelijke neigingen 1 Geld 1... Onderwijl die stakkers er voor ploeterden gooiden hij en zijn kornuiten het weg met handenvol, op een enkelen avond, en dan mocht je nog van een „moreel leven" spreken, als je maar zorgde niet het grootste zwijn te zijn van de pan ... O, die moraliteit! Hij trapte er op, op de moraliteit I...

Maar stil nu, nu moest hij niet loopen zaniken; zijn kop stond er niet naar; en dan... hij wist immers tóch dat het allemaal onzin was, pyramidale gekheid; dat hij tóch nooit zijn leven veranderen zou, absoluut-nooit, hoe hij er nu ook op schold... En toch, soms scheen het hem of hij er werkelijk beu van was, van zijn leven zóo; of hij er nu maar een eind aan maken moest voorgoed : 't was gauw gedaan... Zoo nu ook weêr; zijn kop scheen te barsten; hij kon er niet meer tegen te fuiven, finaal: het was of 't in zijn lichaam zitten bleef.

Hij dacht terug aan gisteren avond; neen, 't liep te bar... hij zou er meê uit moeten scheiden... bepaald I absoluut 1... wilde hij zijn corpus niet geheel naar de maan helpen... Maar de vrinden ... ze sleepten je meê ... van 't een kwam je op 't andere ... absoluut... zoo gisteren weêr met die champagne... en ... och nee, klets... nü, omdat hij zich belabberd voelde, sprak hij van uitscheiden ... werd hij zoowaar „socialistisch" angehaucht... maar morgen deed hij toch' weêr meê, en waarom ook niet, zoo lang het 't eenige was wat je had in 't ellendige leven...

Sluiten