Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Annie kwam juist de trap af, toen Robert de deur opensloot. Zijn gelaat verhelderde.

— Zoo zusje, zien we jou weêr eens? Dat gebeurt niet veel in den laatsten tijd ... Zóo druk met je huishouden ? ...

— 'kHad mama willen spreken, maar mama is niet thuis. Dag meneer van Hemert, hoe maakt u het, sinds verleden op het Kurhaus?

Zij gaf hem een hand; onderging, als steeds, den blik van zijn doordringende oogen, en bloosde.

— Zeg Ans, je moet even meê naar boven; mijn nieuwe kris zien; absoluut hoor; 't is een eenig ding, zèg... Ik kocht hem van Schouten die zoo pas uit Atjeh terug is; 'n magnifique gevest; kunst zie je; gewoon éénig ...

Met zijn hooge, wat geaffecteerde stem sprak hij zijn zinnetjes, ineens over zijn landerige stemming heen, als 'n kind bij 'n mooi stuk speelgoed, dacht van Hemert.

«*• We zullen er aan moeten gelooven, mevrouw, had hij tot Annie gelachen, terwijl zij achter Robert aan de trap op gingen. Onderwijl vroeg Annie naar zijn zuster Ada; maakte die het goed ? Ze was in Zwitserland op kostschool geweest, nietwaar; ze had haar, Annie, een vizite gebracht, maar ongelukkig niet thuis getroffen; nu kwam Annie toch gauw eens bij haar.

Op de tweede étage had Robert een mooie kamer met wijde ramen en veel zon. Er heerschte een artistieke wanorde, waarin Annie zich heel goed thuis voelde. Zij moest denken aan Willy's keurige studeerkamer, met de deftige rijen geleerd-saaie boeken. Hier op Robs kamer werd van alles gedaan behalve gestudeerd, kon je zien.

— Ga zitten menschen; make yourselves at home, wuifde Robert met zijn hand naar een paar stoelen, een oosterschen divan; — de kris heb ik hier; wacht, een stoel: hij hangt wat te hoog eigenlijk ...

Annie, neergevlijd in een crapaud, zat op haar gemak eens rond te kijken. Laatste ziekte-symptoom een tinmanie, stelde ze vast. — Lieve hemel wat 'n tin had die jongen bijeengebracht in de laatste weken. Op een oud dofbruin buffet met gedraaide pooten mankten tinnen kannen, blijkbaar erg „antiek"; tegen de perzische tapijtjes aan de wanden — mooi wijn-rood en ziek-blauw, bruin en grijs — veegden kunstig en reliëf geslagen tinnen borden hun glanzen van oud, bestoven zilver. Een rek, waarin Robert tot voor kort de pijpen had hangen van zijn Leidsche vrienden, prijkte nu met een reeks tinnen lepels, als was je in een boeren-keuken.

Sluiten