Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slokken... dacht zij nog eens: Ik word oud; Ik ben moeder nu, en het moeder-zijn maakt oud, maakt oud, maakt öud ...

Zij schrok; was het waar: wérd zij oud; maar dat wilde zij immers niet, wilde niet 1 Ze was jong, ze wilde haar leven genieten; o, er was allerlei in haar dat naar buiten moest; dat wilde uitbreken zooals het jonge groen uitbreekt in lentetijd. Had zij daarom niet altijd zoo van de lente gehouden: om dat vreemde, broeiende, berstende verlangen in de natuur? Was het niet als een rilling, die dan door de planten ging, die zwaar hingen van sap? Rilde zoo haar eigen jeugd niet in haar; haar jonge bloed, dat het leven zocht 1 Hoe kon ze dan denken aan vroeg-oud-zijn, zij, die zich immers voelde als een jonge boom op het veld, als een jong krachtig paard dat zijn manen schudt.

O, het leven, het heerlijke leven 1 Het lag open vóór haar met al zijn schatten en zij had maar toe te grijpen... Waarom gingen ze niet meer uit en waarom inviteerden ze zelf niet meer menschen? Den Haag was geen saaie stad, al was het dan Parijs en zelfs Brussel niet. Ook Den Haag kon de weelde en 't genot waarnaar zij snakte wel geven, als ze maar begon met zichzelf te geven, zich niet opsloot tusschen de vier muren van haar huis. Daar was de kennissenkring van haar moeder, hoe gemakkelijk kon ze daar in komen als ze slechts wilde l Had ze geen naam, al had ze dan geen geld — en men meende toch immers dat haar ouders nog rijk waren?

„Dat was juist het gevaarlijke", beweerde Willy — en hij had wel gelijk, maar het was zoo vervelend om altijd gelijk te hebben in wat je dacht en deed... O, zij, Annie, ze hield van Willy; ze hield heel, heel veel va» hem, maar toch... als ze een man bad die anders dan Willy was, wat minder degelijk, wat minder „een Ter Kraane"... een man die eens dwaze dingen durfde doen, dingen die een Ter Kraane „dom" noemde, omdat ze er het grandioze,' ja juist: het grandioze niet van konden zien... voor zulk een man zou zij, Annie, een... een héérlijke vrouw kunnen zijn, o, niet de kalme, lieve vrouw die zij voor Willy was, maar de vurige, hartstochtelijke minnares, die zich heelemaal, heelemaal geven zou, zonder terughouding ...

Het huilstemmetje van Carolientje deed haar opschrikken; ze ging naar de wieg en gaf het kind in 't mondje weêr de speen, die het was kwijt geraakt. Gulzig klokten de zuigende lipjes de melk uit de flesch, en Annie bleef er even op neêrzien, verteederd. Zij dacht terug aan haar gepeinzen van

Sluiten