Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

even ook het gonzen van een electrische tram in de verte. Zij ademde diep ; zij voelde het bloed in hare slapen bonzen. Vóór haar zag ze de gestalte van den jongen officier in zijn nauwsluitend huzaren-uniform, zijn lachenden mond onder de donkere knevels en zijn doordringende oogen. Hij stond naast haar als'dien middag op Robert's kamer, en 't was of zij weêr zijn lauwen adem voelde en 't kriebelen van zijn snorpunten. Een huivering schokte door haar liggend lichaam; haar voet, als in een kramp, stiet even van onder den rokzoom uit en raakte 't wiel van Ada's flets, die tegen een boom stond, even nu rinkelde.

Nog een oogenblik bleef zij liggen; toen richtte zij zich op en streek zich met de hand langs het voorhoofd. Langzaam hep ze naar de baan, keek even naar 't speb en zei toen, ze had plotseling hoofdpijn gekregen.

Alleen fietste zij naar huis terug.

Zij hep dadelijk naar boven, naar haar boudoirtje; wierp zich, zonder haar tennisbaret af te zetten, neêr op een stoel.

O got... waarom die man nu al weêr, dien zij toch immers vermeden had in den laatsten tijd. Al van haar meisjesjaren af vervolgde hij haar... zooals hij ook andere meisjes en vrouwen vervolgde, omdat nu eenmaal zoo zijn natuur scheen. Maar die anderen pantserden zich; ze lachten en flirtten met hem, maar heten zich niet veroveren; ze beschouwden zijn courmakerij als een spel. Zij — ze kon het niet, zij het zich veroveren, zij moest zich overgeven telkens als ze hem zag. En daarom... o got, daarom wilde zij hem niet zien meer ... daarom had ze toch immers onlangs zijn voorstel afgeslagen om met hem en Ada geregeld te gaan paard rijden, hoewel ze er naar gesnakt had dat voorstel meteen: ja, ja ... graag ... dolgraag ... te beantwoorden.

Het was Willy dien zij liefhad en voor wien zij een goede vrouw wilde zijn, zooals een trouwe moeder voor haar kind, voor Carolientje. Zij was toch geen vrouw geboren voor slechtheid, niet een van die vrouwen die haar man bedriegen konden met een ander, en toch vroolijk zijn en blijven leven. Zij, Annie, ze was zoo jong nog, ze wilde leven; ze wilde niet dat waarvan de boeken spraken: die zwartheid, dat slechte, dat wat levens brak, wat alles knakte en vernielde; wat als een brand was, een vuur dat verteerde meedoogenloos... O, zij was lichtzinnig en oppervlakkig, maar een heel gewoon Haagsch vrouwtje, zooals ze een heel gewoon en oppervlakkig meisje was geweest Ze hield veel van

Sluiten