Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onverbiddelijkheid van een noodlot: het moment waarop zij niet meet willen zou, of, als zij wilde, zou willen dat andere, dat wat zij verfoeide, waarvoor zij bang was, o got zoo bang, zoo angstig... dat wat breken zou haar leven, haar arme jeugd, en zou breken hét geluk van haar man en haar kind ... onverbiddelijk-wreed ... onverbiddelijk-wreed... Zij voelde het komen *, zij voelde zich zwak worden; ze was geen vrouw met moreele principes, een die steun vond in het gevoel van haar plicht. O got, waarom was zij zoo niet: een vrouw als Jo, of als Marie, of als een van die honderde vrouwen die staan blijven, omdat zij sterk zijn in haar plichtsgevoel, of in hun geloof, of in de hefde voor hun kinderen, hun man ...

En zij herhaalde voor zich heen wat zij reeds vroeger gedacht had ; zij herhaalde het, terwijl haar oogen staarden in de kleine kamer zonder te zien, en hare vingers, in de glacé handschoenen, rusteloos over elkaar wreven, vuil en smoezelig wordend van de warmte... Zij was toch geen vrouw geboren voor slechtheid, een van die vrouwen die haar mannen bedriegen en toch lachen en leven konden. O got, als zij dan zoo niet was, waarom dan dit? Was haar gestorven moeder zoo geweest; zat het in 't bloed ? Neen, neen, 't was slecht van haar haar moedertje te willen bekladden — o, als haar moedertje was blijven leven dan zou zij, Annie, wel anders geworden zijn. Haar vader dan? Maar ze mócht zoo niet denken, en het was ook niet. Mannen waren wel anders dan vrouwen, zeide men; maar aan Willy zag ze toch dat het niet waar was, niet waar hoefde te zijn... Mocht ze dan van papa iets denken ? ... Neen, neen, 't was zij alleen die zoo dacht... zoo ... hartstochtelijk ... dat ze 't bloed in zich woelen voelde als ze maar even aan hem dacht... aan dien man... aan dien goddehjk-heerhjken man...

Zij zonk neêr op den grond, op het kleed; legde haar hoofd op den stoel waarop zij gezeten had. Haar hoed hinderde haar en ze trok er de pennen uit, wild, die van zich afslingerend. Toen drukte zij haar brandend gezicht, haar oogen, tegen het velvet der stoelbekleeding, dat ribbelig aanvoelde, en beging in dat heimelijk donker hare gedachtezonde ... de echtbreuk naar den geest... dat wat een scheiding maakte tusschen haar vroeger leven en het heden, als een kloof tusschen hare vroegste kindsheid op De Elze, hare bakvischjaren in Den Haag, haar hoopvol huwelijks- J geluk met Willy, haar rein-blij moederschap, gansch het leven van zonnige jeugd en vreugdig genieten... en het

Sluiten