Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weêr voort, zijn handen diep in de zijzakken van zijn jasje, zijn oogen borend door het duister voor hem uit. Langzaam kwam toen weêr in hem Op dat gevoel van een zwaren steen die op zijn maag drukte en werkte uit zijn soezelende stemming van niet-denken zich het besef weêr los van Het Gebeurde, het fataal onherroepelijke, dat als een noodlot boven zijn toekomst hing... De nacht kreeg opeens iets gruwehjks, als een donkere dreiging om hem heen. Een oogenblik aarzelde hij, wilde terugkeeren; toen: neen, neen, niet terug, verder, verder... Niet terug naar de menschen met hun nieuwsgierige oogen en dom gelach en elkaar-aangestoot als was hij een gek.

Gek, gek... was hij een gek ? Was hij krankzinnig ? ...

Weêr bleef hij staan, met zijn hand over 't voorhoofd strijkend, dat koud-klam aanvoelde van zweet. Hij voelde zich slappen in zijn knieën, zwaaide verder als een dronken man. Ja, gek was hij... krankzinnig... zijn heele leven had hiertoe geleid, dat hij deze daad zou begaan, deze daad moest begaan, als een onherroepelijke consequentie...

Met een vreemde nuchterheid zag hij het eensklaps in: hoe zijn heele leven hiertoe geleid had... O, knarste hij, in een machtelooze woede : dat leven, dat ellendige, ellendige leven, dat leven van weelde en lanterfanten, dat had hem tot zoo'n beroerling gemaakt, geestelijk en lichamehjk een zwakkeling 1 Nu was het ergste gekomen, het ergste dat komen kon. Want het was dezen avond niet alléén dat hij verloren had. Maar hij had het, tot nu toe, kunnen verbergen. Ook zijn schulden door geheel Den Haag en Leiden. Nü was het gedaan. Het bedrag dezen avond verloren was te groot dan dat er van verbergen nog sprake kon zijn. Door dit zou al het andere aan 't licht komen...

Het duizelde hem; voor 't donker van zijn blik verschoten sterren; zijn hoofd bonsde, en een benauwenis neep zijn keel. Hij wist zelf den omvang van de ramp niet meer op dat oogenblik; vergrootte die in zijn stikkensbenauwing tot een volslagen ruïne. Veracht en verfoeid zag hij zich, van zijn vrienden verlaten; in een kleiner huis moesten ze trekken, zich bekrimpen, grootma haar equipage afschaffen... om hèm... ze waren tóch al niet rijk meer als vroeger; hijwist het uit wat oom Dolf wel zoo nu en dan had losgelaten. .. Over veertien dagen moest hij betalen... Got-o-got, hoe zou hij het oom Dolf zeggen...

Er doorwoei hem een angst bij die gedachte ... te spreken moeten met oom Dolf... Want op die punten verstond

Sluiten