Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij zett'en zich naast elkaar op de bank tegenover het kindje, terwijl de juffrouw bescheiden in een hoek voor het raampje schoof. — Is het niet honnig, niet boutig, zeg Wim ? vroeg Annie enthousiast, met de woordjes van een jong meisje.

Hij — keek van het rozig kindje naar haar, zijn vrouw, en het geluk straalde uit zijn oogen haar tegen, nu hij even haar hand greep en die snel aan zijn lippen bracht.

— Malle jongen, fluisterde zij lachend, bang dat de juffrouw iets merken zou.

Hij zeide niets meer, bleef maar met zonnigen blik naar haar zien. Zoo als zij daar zat in haar licht-grijs, nauw sluitend pak, haar gezichtje met de grijs-bruine oogen, den, misschien iets te grooten, rooden mond, die telkens openlachte, het schichtig neusje, smal en fijn onder haar breede blonde kapsel, dat mode was, — krulletjes sprongen aan alle kanten te voorschijn, — scheen zij nog bijna jong meisje, geen moeder van een kind. En hij, de man die vóór zijn huwelijk voor vrouwen nooit bizonder gevoelig was geweest — hij voelde het, als een zaligheid, hoe zij, Annie, hem volkomen bevredigde, hem alles schonk wat zijn man-zijn behoefde: vroolijkheid en bevalligheid en jeugd, zachtheid en aanhankelijkheid.

Weêr bracht hij haar hand naar zijn lippen; kuste ze. Bestraffend tikte zij hem op de vingers, wees waarschuwend, wenkbrauw-gefronst, naar de juffrouw, die bescheiden naar buiten staarde. Hun oogen lachten in elkaar, spiegelden zich; zij genoten als stoute kinderen de heimelijkheid van hunne hefde achter juffrouws rug.

Zij waren aan 't laatste gedeelte hunner reis, boemelden hunne bestemming tegen : grootmoeder... De Groote Brink... Annie had haar hoed uit het net genomen en dien opgezet, trachtte nu in 't raampje van de coupé te zien of hij recht stond. Zij moest eensklaps denken aan dien keer na haar terugkomst uit Engeland, dat zij óók zoo in den trein gezeten had, uitziende naar de bosschen van De Brink, die naderden. Dat was den zomer har er ontmoeting met Willy... wat een kind was zij toen nog geweest... dacht zij, even-weemoedig. Nu was zij een vrouw, die een liaison had... gehad; de moeder van een kind al...

Even zag zij om naar de juffrouw, die Carolientje haar manteltje aantrok, en toen staarde zij weêr naar buiten over de zonnige weiden met koeien... bruggetjes... slootjes ... stukken bosch en hei... Daar stiet de trein weêr zijn schrikkerig gilletje uit... het gilletje ditmaal, waarop zij gewacht had al

Sluiten