Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verschillende keeren dat zij als kind, als meisje, bij grootma was gaan logeeren op De Groote Brink... het gilletje dat haar nu, even, opschrikte. En terwijl de trein, jachterig, het laatste eindje voortrammelde — als vroeger — en haar oog bleef hangen aan de bosschen van Dennenhorst eerst en daarna aan die van De Groote Brink... dacht ze, met kloppend hart, aan de ontmoeting straks met grootma... als die haar, Annie, haar lievelingskleinkind, zou drukken tegen zich aan. O, al had zij gebroken met Fré, toch was ze bang om grootmoeder straks in de oogen te moeten zien...

De remmen knarsten en de trein stond stil. Daar hadt je Doris op het perron; zijn kaneelkleurige jas sleepte hem niet meer zoo over de voeten, zijn hoed zakte niet meer zoo dwaas over zijn hoofd; wat was hij gegroeid in dien tijd!

Willy morrelde aan het portier, klopte tegen het raampje. Daar zag de chef haar al; schoot toe, hielp haar uit.

— Dag mevrouw...

't Was de eerste maal dat hij niet meer „Dag freule" zeide, wat ze altijd zoo dwaas, maar toch wel aardig gevonden had, als jong meisje.

Zij nam van de juffrouw het kind over; Willem reikte Doris de bagage en een recu. En nu zaten zij in het rijtuig en reden naar De Groote Brink. Op haar plaats in *t rijtuig had Annie een briefje gevonden, beverig, met potlood geschreven : de hand van grootmoeder.

Lieve Annie,

„Even een regeltje om je te zeggen ik zelf graag gekomen was „om je af te halen, maar ik had wat hoofdpijn; ik hoop ik geheel „weêr fnsch ben als je hier aankomt, met je man en je kind. Wat „een rijkdom, mijn kleine Annie, nietwaar? God zegent mild Tot „straks vast een groetje vooruit voor jou en je man en een kusie „aan mijn petekind. '

Je zeer liefhebbende grootmoeder".

Annie vouwde het briefje zenuwachtig met hare glacé vingertjes; hare oogen voelde zij vochtig worden. Dieheve lieve grootmoeder, wat 'n engel... o, als zij wist 1..

Zij reden langs al het Annie zoo bekende: de boerderij en de boomgaarden van Pauw, den molen, en het dorp met zijn nette huisjes en hobbelige keien: daar de smidse en daar de pastorie en daar het winkeltje van Teunissen... dan de Jindenlaan met de rust der oude hooge boomen... eindelijk de oprijlaan van De Brink.

Hoe meer zij naderden, hoe meer Annie het blijë geluk.

Sluiten