Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wilde nu van Stekhoven hem helpen naar Indië. Ook in Indië waren vele verleidingen, en Robert was zwak, zooals de meeste Hada's zwak waren. Haar man, ach ... en Louis... Het maakte haar treurig, zoo treurig... Zij voelde zich zoo machteloos tegenover het leven...

Op dat oogenblik klonk Annie's stem luid-op in de gang, weêr-echoënd haar jongen lach. Ook Willem's stem hoorde zij; ze plaagden elkaar.

Mevrouw Hada glimlachte., Annie... dat was de vreugd van haar ouden dag ...; Annie: dat was haar leven. Als zij Annie missen moest, dan...

Zij voltooide hare gedachten niet, daar juffrouw Verheide haar kwam storen, iets vragen over het diner. En terwijl de oude dame sprak, bevelen gaf, zette het zich snel in haar vast: ik moet mij goed houden, vooral niets laten merken: 't geluk van 't jonge moedertje mag niet verstoord worden .,..1,

VIII

De dagen op De Groote Brink vlogen voorbij, 's Morgens vroeg, in de groote logeerkamer, ontwaakte Annie met zon. Zij moest Willy, die een langslaper was, dan meestal wakker maken, en beiden bleven even liggen nog, genietend van de frissche buitenlucht die door de open vensters binnen woei. Er was een reuk van mest en dauwnat gras, van hooi en van rozen, — en zij konden niet anders dan vlug het bed uitspringen, zich wasschen en kleeden en naar buiten snellen, in het heerlijke, opene, vrije, waar zij langs de nog vochte paden stapten niet gretige passen en wijde handen, naar de goede schaduw van het bosch. Zij lazen een heel boek, alleen in die morgenuren vóór het ontbijt.

Vóór alle dingen werd lederen morgen even de stal bezocht; Annie's passie voor paarden waakte op. Daar was Carlos nog en Rachel en Thor, ouder geworden allen, maar toch goede bekenden, die nog suiker lustten en een voor een door Annie op de billen werden geklopt. Alexander was weg en Mimi was weg, door andere paarden vervangen; een paard was er bij dat onder den man kon gereden worden, en Annie kreeg dol verlangen naar een ritje. Hoe jammer dat Willy niet reed en de Boudaens op reis warén. Ada reed soms met haar broêr, met Fré; had haar al een paar maal gevraagd. Als ze eens ...

Maar zij had de gedachte verdrongen; ze wilde aan Fré

Sluiten