Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauwing werd, vooral in de nachten, als zij niet slapen kon en woelde en woelde en dan weêr doodstil te luisteren lag naar Willy's rustige ademhaling. In een toestand van half waken, half sluimeren, eindelijk, verdrongen zich allerlei vizioenen voor haar geest: Fré die met de zweep van Caesar door moeder werd afgerost; zij door de politie over de straten gesleurd tot voor de voeten van haar schoonvader, wiens knieën zij omgreep en wiens inquizitoriale blik haar striemde. Dan zag zij zich opeens weêr met Willy alleen, die schreide... schreide ... altijd maar schreide... terwijl achter hem hard een klok de uren tikte.

Als zij, na zulke nachten, wakker werd, vond zij haar kussen nat van de eigen tranen.

Maar had zij zich dan gekleed en zat zij tegenover Willy aan het ontbijt, dan was er weêr die gelijkmatige kalmte .in haar en sprak zij met een glimlachende zelfbewustheid over allerlei dingetjes van den dag: een dinertje dat ze aan een paar van Willem's confraters geven moesten, een plannetje om dien middag te gaan wandelen. Of ze vertelde hem hoe ze dien morgen met Carolientje naar de Boschjes wilde gaan ...

En in den klank van haar stem bij dat alles was niets ongewoons; nimmer was daar een aarzeling, een nuance van stemklank, die Willy verwonderd het hoofd had doen heffen en haar aanzien. Zij scheen in alle ding zooals zij steeds geweest was: de vrouw die hem in zijn meestal gelijkmatigtevredene stemming volmaakt bevredigde.

Het verwonderde Annie wel vaak, dat Willem in zoo korten tijd haar onverschillig was geworden. Zij had hem toch hef gehad; ja, voelde hoe, in het diepst van hare ziel, die hefde blééf sluimeren, als de schoone slaapster die — misschien — eens weêr zou worden gewekt. Zij haatte Willy niet, als een die aan haar nieuw geluk in den weg stond — het was (al werd zij zich dit niet zoo bewust) of in haar innigst wezen de overtuiging wakende blééf dat zij in Willy's hefde iets hechters, iets reëelers bezat dan in haren hartstocht voor Fré, die voor 't oogenblik haar de hoogste, de diepste en de rijkste zaligheid scheen. Want geheel haar leven naar buiten, in die dagen: het spreken en wandelen met haar man, het samen vizites doen bij hunne kennissen, het overleggen met de juffrouw over Carolientjes kleêrtjes, het toeren met Rob, of het regelen van huishoudelijke beslommeringen met de booien — dat alles was maar schijn en droom, als een rol die zij vervulde; het was als een slaapwandelen door de dingen van het dagelijksch leven,

Sluiten