Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd, nu is het de dag der zaligheid. Maar wee u, zoo gij nu van den tijd geen nuttig gebruik maakt, den kostbaren tijd waarin gij werken moet voor de eeuwigheid I Er zal een tijd komen waarin gij verlangt naar één dag of één uur, om u nog te kunnen bekeeren; maar of gij ze bekomen zult, wie zal u dat verzekeren ?..."

Zij staarde voor zich, in gedachten verzonken. Hoe vreemd en rustig was de stem van den man die daar sprak; hoe zéker scheen hij alles te weten. Hij was een priester geweest, een kloosterling, had grootma verteld, en zij begreep eensklaps wat het voor een Roomsche zijn moest om voor zulk een man te mogen biechten. O, als hij nog leefde, dan zou ze tot hem gaan, voor hem knielen, hare zondige gedachten en begeerten hem behjden en om zijn zegen vragen... Maar hij was al zoo lang dood, en de menschen lazen zijn boekje — en het leven ging zijn gang.

Weêr bladerde zij, en zij las: „Zoo is het dus ijdelheid, vergankelijken rijkdom te zoeken en hierop te vertrouwen. IJdelheid is het ook, eerambten na te jagen en steeds hooger en hooger in aanzien te willen stijgen. IJdelheid is het, de lusten des vleesches te volgen en naar iets te verlangen dat naderhand zware straffen na zich sleepen moet. IJdelheid is het, een lang leven te wenschen en zich om een godvruchtig leven weinig te bekommeren. IJdelheid is het, slechts op het tegenwoordige leven te zien, en niet te zorgen voor het toekomende. IJdelheid is het, iets te beminnen dat ras voorbij gaat en zich niet daarheen te spoeden waar eeuwige vreugde woont..."

Toch zochten de menschen rijkdom en eer en genot, dacht Annie; toch zochten bijna alle menschen het. Was die <leer dan te hoog, te mooi voor deze aarde, of wilde men Jezus niet navolgen ? Ach, was het geen dwaasheid ook misschien, arm en naakt en veracht te willen zijn op deze aarde, ter wille van een hemelsche zaligheid, waarvan niemand iets wist...

Toch bleef zij nog zitten, het boekje tusschen hare vingers. Die man, die Thomas a Kempis, die schéén toch te weten, dacht zij. Zou hij anders zoo rustig, zoo zéker kunnen spreken als hij deed ? .,.

Zij, zou zij ooit die rust nog eens vinden ?...

Gedurende verscheiden dagen dacht Annie aan dien middag terug als aan iets moois, iets glanzends, zooals men terug denkt aan den goeden schemer onder de hooge gewelven van een oude cathedraal. Het was haar een rust al op zich zelf,

Sluiten