Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de kinderen als zij boven, op de kinderkamer, zat op den vloer en met Carolientje speelde. Het kind had zich flink ontwikkeld, en al was het niet mooi — wat vreemd-grof waar Annie zelf zoo tenger was — daar genoot zij toch van Carohentjes aanvallige lachjes, haar lieve geluidjes en de grappige wijze waarop zij plat op den buik met haar mollige beentjes zich de kamer doorroeide. Ook beproefde Carolientje reeds te loopen, heesch zich op aan de hekjes van haar box, die zij rond ging met een voorzichtigjes vergrijpen harer dikke handjes aan de spijlen, af en toe even rustend, zendend mamma hare lachjes.

Annie, de lange dagen, bracht uren op de kinderkamer door, spelend met haar dochtertje voor wie zij torens bouwde, door het kind onder helle schatertjes weêr omgegooid. Of ze maakte een pop, heel primitief: een stuk rose linnen opgevuld met watten, waaraan zij zoo goed mogelijk een vorm gaf. De oogen, de lippen en de wenkbrauwboogjes teekende ze met wat sepia; het haar maakte ze van geplozen touw. Het werd afschuwelijk en het pleitte niet voor Carohentjes schoonheidsgevoel dat zij er zoo gretig naar greep. Het had Annie echter uren lang bezig gehouden; hare gedachten afgeleid van de trage schakeling der trieste dagen.

Telkens vielen er hevige sneeuwbuien: nu eens een langzame taaie val van grove vlokken, uren lang — dan weêr een striemende jachtsneeuw, die sneed als met messen, en in witte wolken woei over de geteisterde stad. Dan kletsten brutale regens neêr op het sneeuwkleed, dat de straten rivieren werden, stroelende stroomen langs de trottoirs, gulzig opgezogen door de getraliede muilen der onverzadelijke riolen. En in de luchten dreigden weêr nieuwe sneeuwbuien, nieuwe regens, aan. Vuile proppen grauw-zwart of blauw-loodkleurig, met loensche gele schijnen soms doorschoten en verplukt in lange rafels hier en daar, dreven door de woelige luchten, loosden hunne water-zwaarheid gulpend uit, bekletsend de daken van de stad, die ze schoon waschten, doorweekend de haastig door de straten gelaveerde katoenen dakjes waaronder zich de pruttelende menschjes verscholen.

Het regende, regende ...

Annie, in die dagen, ging haast niet uit. Soms wipte ze even, tusschen twee buien, naar de Laan Copes; dronk thee bij mama. Maar meestal verregende het theeuurtje, zag zij het verregenen, als zij, aangekleed, voor 't venster van den

Sluiten