Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de Leidsche vaart, af en toe hun signaal van drie tonen de ruimte in trompettend als een zegekreet, een brutale triomfschreeuw van wie met hun razende vaart, die de wegen verslond, de wereld als heerschers doorkruisten. Vóór hen zat de chauffeur in zijn bruine jas, een weinig gebogen, de handen aan het stuurrad, zijn oogen — achter den stofbril, die aan zijn blauw geschoren leelijk bakkes iets schrikwekkendonmenschelijks gaf — spiedend-uit over den zich lijnenden vaartweg.

Ze reden naar Woestduin, waar courses waren; van Hemert reed meê in de steeplechase om den voorjaarsprijs; was vanmorgen vroeg al vooruit gegaan per trein, met zijn paard; had haar, Sophie, gisteren op 't diner bij de van Spankerens de auto aangeboden; vanmiddag zouden ze met hun drieën terug rijden — tenminste als hij zich los kon maken, niet gedwongen zou worden op Woestduin te blijven dineeren ... had hij gelachen — en zijn oogen hadden het haar duidelijk genoeg gezegd: hoe dit laatste maar een fraze was uit voorzichtigheid, want Constance Heemerick had hen van over de tafel een scherp-onderzoekenden blik toegeworpen. Mon Dieu — alsof hij zich niet losmaken zou è tout prix, nu Lou gisteren was afgetrokken en zij hem carte blanche gaf in haar boudoir...

Zij keek naar Annie. Het kind zag zoo bleek in den laatsten tijd; ze had wel eens een oogenblik gedacht of er iets bestaan kon hebben tusschen Fré en haar; maar ze geloofde het toch niet, al kon ze zich voorstellen dat haar huwelijk met dien... dien... enfin, nu niet geworden was wat ze zich in haar backfisch-onnoozelheid gedacht had. Zij, Sophie, had haar genoeg gewaarschuwd en zich op dat punt dus niets te verwijten...

I-a-i-ooo ... o-i-a-iii...

Zijn signaal vopr zich uitschallend stoof de auto het terrein op voor het hotel, manoeuvreerde zich handig langs een paar andere tufs, die juist gezelschap uitbeten, om bij de remise stil te schokken met hol-buikig gesnor. Fré kwam hen verwelkomen, hielp met uitstijgen; Annie zag dadelijk hoe hij naar moeder keek en hoe moeders oogen lachten. Zij voelde een kille bleekheid over haar gelaat komen, met starre trekkingen in haar ooghoeken. Maar ze hield zich goed, beet haar tong, reikte hem ongedwongen de hand en trachtte hef te lachen toen hij moeder en haar, vlug, even, voorstelde aan een paar heeren met wie hij te zijn bleek: baron van Heerma ter Wielen, luitenant Post...

Sluiten