Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Annie, achter zich, hoorde hen praten over paarden, over trainers en jockeys, den handicapper en den totalisator... Andere heeren zag zij, vóór het hotel, onder de boomen; sommigen kende zij; ze groetten haar, keken naar de autopetten van moeder en haar; fluisterden.

In de toiletkamer van het hotel knapten zij zich wat op; hielp zij moeder aan haar kapsel, dat verwaaid was. Toen, haast onwillekeurig, maar met den blik van vrouw voor vrouw, terwijl hare gedachten afzwierven, monsterde zij moeder even van het hoofd tot de voeten. En: wat is moeder mooi I dacht zij, als zoo dikwijls, met het bewonderingsschokje dat haar als heel jong meisje, als kind reeds, den adem kon rooven één oogenblik — als moeder groot en slank in haar mooie toiletten wel even in de leskamer binnenkwam om haar vluchtig te kussen. Maar nü was dat schokje heel mat, en 'twas dadelijk of hare gedachten samenkrampten tot een wrange jaloezie. En terwijl zij haar handen wiesch, heur haar wat opkamde, dacht ze aan Fré, aan zijn blik straks op moeder, en een loome moeheid, een verlangen thuis te zijn en lang, lang uit te schreien, zonk in haar neêr...

Onderwijl stond Sophie Hada ~ in haar pak van mauve tissure de soie, den grooten zwarten hoed op 'r blonde haar — voor den spiegel zichzelve te bekijken, en zij geeuwde bij de gedachte aan al de paarden welke ze dien middag zou zien loopen. Idioot. Zij geeuwde, en terwijl ze haar lange slanke vingers even voor den mond bracht, flonkerde haar het diamantje tegen van den ring, dien van Hemert, de malle jongen, haar was komen brengen voor een gewonnen philipine.

Buiten hadden ze Fré weêr gevonden, die hen naar de tribune brengen zou *, hij noodigde hen uit even meê te gaan kijken naar Floss; 't peerd was in splendid condition, goed getraind, veel beter dan Alexander I van van Manen en John Gilpin van luitenant de Bree, die ookmeêreden. Toch scheen hij wat zenuwachtig, dacht Annie; sloeg telkens met zijn karwats tegen zijn rijlaarzen.

In het paddock was het een drukte van heerrijders en jockeys, een geroep om trainers en staljongens. Een jockey in zijn kleurig buis ging met een paard op en neêr; het schopte het zand onder zijn dunne, onrustige beenen.

In den box van Floss vonden zij Fré's oppasser bij het paard, die beweerde dat Floss het best doen zou. — Moeten de dames die oogen eens zien: zoo klaar als water.

~ Zoo, nu, we zullen afwachten, hè man; nu verder maar

Sluiten