Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ze vertelde van Carolientjes guitenstreken dien middag: hoe ze over de box probeerde te klimmen; hoe ze juffrouws heele kluwen had afgewonden en zich in de draden verward. — En ze schaterde mevrouw, die kleine rakker; ze lachte me finaal in me gezicht uit!

Weêr die glimlach, even, dadelijk verstrakkend in den stroeven pijntrek om haar lippen. Toen stond zij op, eensklaps; kuste het kind op het besmeurde mondje, met iets bruusks, zoodat het meisje even een pruillipje trok. Een oogenblik later was Annie op haar slaapkamer, waar ze haar hoed afzette, haar mantelpak uit deed. Uit een der mouwen viel het groene programma van Woestduin; zij had dat, vele malen dubbel gevouwen tot een smallen reep, diep middag met hare nerveuze vingers daar in geduwd.

Aan tafel, waar zij haast niets at — en het vreemd was zonder Willem — wankelde een twijfel in haar, wat te doen. Moest zij naar Fré gaan dien avond, of niet; het was nu toch immers uit alles, uit, voorgoed... Zou het dan haar waardigheid niet te na zijn als zij nog ging? Ze walgde van den heelen boel; Fré was immers als de rest I Toch moest ze wéten, wéten of er iets bestond tusschen moeder en hem, en of daarom...

Haar waardigheid I — Zij lachte smadelijk. Haar waardigheid ? lag immers toch te grabbel! Een vrouw als zij, die haar man bedroog en nu bedelde om de gunst van een ander *- want zij vóelde dat haar oogen moesten gebedeld hebben dien middag — zulk'een vrouw mocht van „waardigheid" niet spreken. Waardigheid! De Hada's waardig! Moeder waardig; met haar dégoutant geflirt als een pas uitgaand meisje; haar vader waardig: een ouwe man, die in Parijs een jonge maïtresse had, bah 1 bah 1...

Zij schonk zich een glas water in, dronk het uit met klapperende tanden. Gekalmeerd, dacht zij na wat zij doen moest. Zij zou gaan: Fré rekenschap vragen over zijn gedrag; gaf hij die niet, gaf hij die niet volledig en afdoend, dan zou ze hem haar minachting in 't gelaat slingeren, en dan... Zij dacht niet verder; het duizelde haar. Wie dan leefde die dan zorgde; ze zou nu gaan ... naar Fré ...

Zij belde voor de meid om af te nemen; zeide Bertha hoe ze nog een uurtje uit moest; voor theewater hoefde niet gezorgd vóór ze terugkwam.

Boven ging ze nog even naar de kinderkamer, waar Carolientje stond in haar hansooie oo de tafel, op het punt naar bed te gaan.

Sluiten