Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Mamma ... mamma ...

Zij sloeg haar aimen om het mollig lijfje, preste haar dochtertje tegen zich aan. — Slaap wel lieveling; droom maar van moesje, zal je?

Zij liet het kind aan de juffrouw; was al bij de deur om te vertrekken.

Mamma ... mamma ...

Zij snelde opnieuw naar het kind en kuste het op 't rozig gezichtje, in 't halsje, op de armpjes, tot in de palmen der klein-poez'le handjes met de garnalen-vingertjes. Het was vreemd, maar zij kon van het kind haast niet scheiden dien avond; het scheen haar als ging zij een verre reis doen en als zou zij Carolientje in lang niet terug zien.

Toen, eindelijk, sloot zij achter zich de deur, waar ze 't kraaiend stemmetje bleef hooren: — Mamma, mamma 1

Op straat liep zij haastig, zonder naar de menschen te zien die langs haar heengingen. In de verte rommelde licht een onweer, nauwelijks merkbaar; toch huiverde zij even, nu zij denken moest aan dat onweer op De Groote Brink, toen zij, dat ééne oogenblik, haar leventje zoo klein gezien had, en haar hartstocht als een vuur dat verteerde. Ze had toen, in die snelheid van bliksem, getwijfeld of het alles uit zou zijn voorgoed: haar zondige verhouding tot Fré. Neen, 't was niet uit geweest... 't was terug gekomen... zooals ginds het onweer terugkwam, aanrommelde uit de verte...

Zij nam een tram; door 't glas tegenover haar zag zij de huizen voorbij schuiven zonder te weten door welke straten zij reed; Den Haag scheen haar een onbekende stad en de rit duurde eindeloos...

Eindelijk hoorde zij den conducteur roepen: Prins Hendrikplein 1 — wist zij dat ze moest uitstappen.

Haastig ging zij over het trottoir, en nu trof het haar opeens, als in een verscherping van hare aandacht: hoe een paar maal iemand doordringend haar aankeek; een winkelier, die voor de deur van zijn huis een pijp stond te rooken, lachte spottend haar toe; riep, toen zij voorbij was, iets achterom in zijn winkel — zij verstond niet wat.

Annie had zich rood voelen worden onder die blikken; had haar pas nog verhaast. O, dat volk, dat gemeene plebs... haar moeder had toch wel gelijk, die altijd zeide dat ze... dat ze met de zwéép moesten hebben... met de karwats. Begrepen ze, wisten ze iets? ?.,.

Toen hoorde zij heel duidelijk zich iets naroepen, een

Sluiten