Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden. De rechter slaap was doorboord door een kogel; in de onmiddellijke nabijheid der doode werd een revolver gevonden; waarschijnlijk heeft men met een geval van zelfmoord te doen.

Nog kan worden medegedeeld dat dien zelfden middag Mevr. T. K. en de luitenant bij de rennen op Woestduin zijn opgemerkt. Nadere bijzonderheden omtrent de redenen die tot dit afschuwelijk drama geleld hebben ontbreken nog ; de luitenant is in voorloopige verhooring genomen. Naar men zich voorstellen kan is de ontroering in de stad zeer groot.

Jet staarde een oogenblik op het papier als begreep zij niet. Dan bleef haar oog aan de initialen hangen en werd het of die reuzig groot boven de andere letters uitgroeiden en tot een naam zich aanvulden.

Een strakke bleekte vertrok Jets gezicht, zoodat het logéetje er van schrikte. Zij verweet zich haar onverstand, zoo zonder inleiding de courant te hebben gegeven. Maar ze wist niet dat de Broeckaerts' die mevrouw Ter Kraane zóó goed kenden.

Achterover geleund in de snel raderende Victoria zat Jet, met groote oogen voor zich uitstarend', langzaam drupten de tranen neêr op haar wangen; kleefden haar voiletje. Hare lippen persten zich samen; het logéetje begreep: Jet wilde zich goed houden in 't, open rijtuig, vooral nu ze het dorp doorreden. Daarna een schaduwige weg met hooge, oude linden; een hek: „De Groote Brink".

De koetsier, even fluitend tusschen de tanden, draaide het hek binnen.

— Hè, zei het logéetje: — Heet jullie plaats ... Maar ze slikte haar zinnetje in, herinnerde zich van een vorig logeeren hier: hoe zij deze plaats soms doorreden om te bekorten.

Jet scheen niet te zien, zat maar te staren, met haar groote donkere oogen, waaruit de tranen drupten... drupten ... doorweekend het voiletje.

Het logéetje, verlegen, keek naar het opgaand eikenhout waarlangs ze nu stapvoets reden; 't was een zandweg, door de lange droogte wat mul geworden. Toen kwamen ze op een grintweg/ weêr, reden voorbij een tuinmanshuis en een paar stallen. Een koetsier in lange blauwe jas nam zijn pet af. Daar hadt je het heerenhuis, een gazon met een duiventil. Ginds in de verte, in het zonnetje, onder de beschutting van hare zwarte strooien tuinhoeden, wandelden langzaam twee oude dames.

Het logéetje schrok; 't was Jets stem, die opeens, driftigheesch, klonk tot den koetsier:

Sluiten