Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voornamelijk omdat zoo n naam de eigenaardigheid heeft, door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor oogen te tooveren. Wie het kleine wezen, dat onder het trapje van zijn huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt, maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo *) het heeft over K'dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets van de taal, die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik mij zoo'n beetje voorstellen hoe het er uitziet. Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copelahd doet er de dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken onderzoekend naar mij om —- net als ze in de wildernis deden. Stamford, Conn.

September, 1902. WILLIAM J. LONG.

') De Indiaansche metgezel van den schrijver.

Sluiten