Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ginds ligt een weidespreeuw neer gedoken in 't dorre gras, en zijn kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar — voor zoover ik er over kan oordeelen — hoe volkomen hij voor dien scherpen blik, waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en zijn roerloosheid. Negenennegentig van de honderd keer is hij er ook heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar voor die merkwaardige kleur wezen en voor het feit, dat de natuur ook nog aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar nu meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.

Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan, dat een dierenleven een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet vreeselijk steeds op zijn hoede te

Sluiten