Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN.

^^WTOT op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed JLm waren ze verstopt. Ik volgde den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisen in het hartje van de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden. Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn — en kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan waar hij bezig is geweest. — Daar, aan den anderen kant, liggen de bronsgroene schubben van een pijnappel — spaanders uit de werkplaats van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid,

29

Sluiten