Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der de wortels, die van de beek lagen afgewend, was een verborgen en ruim kamertje, waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor de deuropening hingen. „Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik, „want niemand zou je daar ooit vinden"; maar —■ alsof 't gebeurde om mij tegen te spreken — daar vond me een verdwaalde zonnestraal het plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom. „Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer weg, maar het was, of hij zijn glans achterliet, want daar onder de wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik bukte mij- om beter te zien, stak mijn hand naar binnen —en de bruine vlek veran derde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte, de gouden lichtglansen warende geappelde flanken van twee hertjes, die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats, waar hun moeder hen bij 't weggaan verstopt had. Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk als Jozef een „veelvervig" rokje aan; en mij dunkt, dat ze ook een soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan liggen, en ze werden onzichtbaar.

Sluiten