Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen, zonder beven, kalm hun flanken streelden.

Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje met doodsangst in de oogen, — dan weer stoof ze weg met haar witte staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch nog, — die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was door honden en belaagd door geweren — en zij bleven waar zij zich veilig wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging. Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter' t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, duwde ik ze nog eens terug. „Daar blijven, en

Sluiten