Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit hoe blij ze was, terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde, van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij hadden gedaan, en beurden hun kopjes op, om haar flanken aan te raken met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch om was en waarom zij was weggesneld.

Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het ka-a-a-h! ka-a-a-h! weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: dat diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden de hertjes verschrikt achter haar en trilden, op nieuw verbaasd, maar toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun ranke pootjes door het warrelnet van struiken en de ruigten van het bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken uit mijn

Sluiten